woensdag 17 november 2010

Leestip: De rest is stilte / Carla Guelfenbein

‘Wauw, wat een aangrijpend en ontroerend boek’. Deze reactie staat op de omslag van De rest is stilte, een roman van de Chileense schrijfster Carla Guelfenbein (Santiago, 1959) en uitgegeven door Ailantus. De rest is stilte is haar derde roman en stond maandenlang op de bestsellerslijsten in Chili. Haar boeken verschijnen in dertien landen. De omslag doet misschien niet direct vermoeden dat men een prachtig boek in handen heeft, blijkens reacties van lezers. Dit maakt de verrassing groter, deze gevoelige roman is echt een aanrader!
De twaalfjarige Tommy lijdt aan een hartkwaal, mag zich niet al te veel inspannen. Hij heeft een obsessie voor het afluisteren van gesprekken die hij opneemt met zijn mp3-speler. Woorden zijn als pijlen. Ze komen en gaan, verwonden en doden, net als in oorlogen. Tommy tracht de onzichtbare orde van de dingen op te nemen. Wanneer hij tijdens een bruiloft onder de tafel kruipt hoort hij voor het eerst over de joodse afkomst en zelfmoord van zijn moeder. Dit is voor hem het begin van zijn onderzoek “tien ontdekkingen over de dood van mijn moeder”. Ieder gezinslid heeft zijn eigen eenzaamheid en een eigen geheim. Stiefmoeder Alma heeft een affaire, vader Juan vertelt niet altijd de waarheid, zelfs niet wanneer hij als chirurg een jonge patiënt verliest die aan dezelfde hartkwaal leed als zijn eigen zoon Tommy.
De roman eindigt dramatisch en tegelijkertijd hoopvol.
Deze Chileense schrijfster is een meesterlijk vertelster en een goede stiliste. De roman bestaat uit 54 korte hoofstukjes waarin de drie hoofdpersonen Tommy, Alma en Juan om de beurt hun verhaal vertellen, o.a. door gebruik te maken van flash-backs. De echo van het thema Stilte is overal hoorbaar in deze verhalen. De stiltes van Juan zijn zwart, terwijl witte stiltes vol zijn van licht. Het zwijgen en verzwijgen zijn 'oorverdovend' aanwezig. De personale vertelvorm zorgt ervoor dat het verhaal spannend blijft: de lezer weet tijdens het lezen namelijk steeds net ietsje meer over de gevoelens en drijfveren van de hoofdpersonen zelf, heeft een beter overzicht en houdt de adem in..
De roman zit heel slim in elkaar. Identificatie met een hoofdpersoon wordt leuk lastig. Het is echter de stem van Tommy die, met zijn vertederende, maar ook ontnuchterend realistische kijk op de wereld, de meeste indruk maakt. Zijn eenzaamheid is echter onbegrenst: Het is niet mijn schuld dat je me niet gezien hebt. Ik heb me niet verstopt. Ik zat hier gewoon.

De stijl is beheerst, het taalgebruik is sober, soms een beetje poëtisch. De schrijfster gebruikt mooie metaforen. Sfeerbeschrijvingen in deze roman zijn duidelijk anders dan die in de romans van de Chileense Isabel Allende, hoewel… De beschrijving van het grote huis en de tuin van zijn grootvader en de vrijlating van kolibries, goudfazanten, pauwen en andere vogels uit de volière komt wel een beetje in de buurt. De stem van Tommy: je zou kunnen zeggen dat ze wachten tot ze de deur zien opengaan. Deze zin is terug te vinden in het ontwerp van de boekomslag.
Carla Guelfenbein, geboren in Santiago, 1959, verhuisde in 1976 naar Engeland vanwege het
regime van Augusto Pinochet. In Essex studeerde zij biologie en design. Ze woont nu weer in haar Chileense thuisland, waar ze werkte als artdirector en moderedacteur voor het tijdschrift
Elle, totdat ze besloot zich fulltime op het schrijversschap te richten.
Guelfenbeins tweede roman (De vrouw van mijn leven, 2006) werd in Chili tot Boek van Het Jaar 2005 gekozen.
De rest is stilte is een aanrader voor een breed publiek en zeker ook voor leeskringen. Tijdens een bijeenkomst van De Literatuurfabriek in Middelburg vertelde een lezeres dat ze echt tot tranen toe was geroerd door deze roman. Dit gegeven zegt iets over de lezeres maar vooral iets over een schrijfster die met deze roman wereldwijd veel lezers weet te ontroeren.
De romans van Carla Guelfenbein verschijnen in dertien landen, het is leuk om de verschillende covers via Google op te zoeken. Een boekomslag is niet onbelangrijk, uitgevers zijn steeds op zoek naar nieuwe vormgeving want stilstand is achteruitgang.
Wat boekpromotie betreft kunnen wij weer even vooruit met De rest is stilte, een roman om stil van te zijn.

donderdag 11 november 2010

Mispels, zo mooi!


In mijn tuin staan twee mispelbomen, ooit gekocht en geplant naar aanleiding van een wandeling bij het landgoed Ter Hooge waar een rijtje van deze bomen onderdeel uitmaken van het landschapsschoon. Een fascinerende boom, ongeveer 4,5 meter hoog, die voor veel tuinplezier zorgt.
Over de geschiedenis van de mispelboom of mispelaar valt veel te vertellen. Afkomstig uit West- Azië vond deze fruitboom via de Grieken en Romeinen een weg naar West-Europa waar de vruchten gewaardeerd werden als leveranciers van vitamine C. In de Middeleeuwen werd de boom in Nederland in kloostertuinen aangeplant.
Linnaeus gaf de mispel de Latijnse naam Mespilus germanica, hij dacht dat de boom in Duitsland autochtoon was omdat deze daar veel verwilderd voorkwam in de bossen.
De Mespilus germanica behoort tot de rozenfamilie (Rosaceae). Mespilus komt van het Grieks mesos (helft/ midden) en pilos (bol), verwijzend naar de vorm van de vrucht, een halve bol.

Waarom vind ik de mispelboom zo bijzonder mooi?
Omdat hij van nature heerlijk dwars is, geen rechte stam heeft, grillig zijn groei bepaalt en gewoon een beetje scheef hangt.
In de lente bloeit hij lief: wit-roze bloemen sieren de mispeltakken, ze ruiken heerlijk. In de zomer wacht hij zonnig op wat komt terwijl de donkergroene bladeren, zacht als vilt of heel fijne lamswol, de vruchtjes in hun groei beschermen. In de herfst, eind oktober, begin november, is de boom op zijn mooist. Het blad kleurt in allerlei tinten bruin en geel. Rond de tijd van Halloween is het zelfs een beetje eng in de tuin: de vruchten vermommen zich als duiveltjes die met bronskleurige wangen de bladeren laten ritselen. Als je door de tuin loopt voel je dat de gezichtjes jou blijven volgen.

Meestal worden mispels pas na de eerste nachtvorst geoogst, de vorst zorgt ervoor dat het vruchtvlees zacht wordt. Na de pluk kunnen ze verder narijpen. Ook dan zijn de mispels nog prachtig, buiten in kleine veilingkistjes of binnen op schalen die passen bij de kleuren van de vruchten, dat is soms even zoeken.
Zelfs als het gistingsproces verder gaat blijven ze mooi, er verschijnen dan kleine parelende druppeltjes op de schil die aangeven dat de vrucht overrijp is en snel rot zal zijn.
Sommige mensen eten graag mispels vanwege de lekkere zoetzure smaak, anderen maken er jam, gelei of moes van. Ik kijk er alleen naar, dat vind ik al mooi genoeg. En wie ze hebben wil die mag ze komen halen.

Het gezegde ‘zo rot als een mispel’ is algemeen bekend. Vaak wordt deze uitspraak gecombineerd met één of meerdere personen en ook niet zelden met de gehele mensheid die in allerlei opzichten nogal grillig kan zijn. Er is echter ook een bijna vergeten gezegde: “Met geld en stro rijpen de mispels”. Het was namelijk een gebruik om mispels droog, liggend op stro te bewaren. Dit oude gezegde betekent dan ook zoveel als: met wat geduld zal alles heus wel goed komen!
Vandaag hangen ze nog in de boom, even wachten op de vorst (of een nachtje diepvries...) en als ze er vannacht niet afgewaaid zijn komt het wel goed.
Foto's: Anke Nijsse, 7 november 2010
Mispels worden af en toe afgebeeld op schilderijen, o.a. door Adriaen Coorte. Wel mooi maar aan de donkere kant. Hieronder enkele andere voorbeelden.


Henk Helmantel Romeins glas met mispels

Willie Berkers Blauw kannetje met mispels

zondag 7 november 2010

Zeeuwse Boekenprijs voor Floortje Zwigtman


De Zeeuwse Boekenprijs 2010 is gewonnen door Floortje Zwigtman. Zij kreeg de prijs voor haar ruim 600 pagina’s tellende roman Spiegeljongen, waarmee ze haar trilogie ‘Een groene bloem’ heeft voltooid. Eerder verschenen Schijnbewegingen (2005, winnaar Gouden Uil Jeugdliteratuur en Gouden Zoen 2006) en Tegenspel (2007).
Spiegeljongen is het aangrijpende laatste deel, een kleurrijke reis die Adrian Mayfield en Vincent Farley vanuit Londen naar Parijs voert en hen uiteindelijk confronteert met datgene waar ze altijd voor gevlucht zijn: zichzelf.

Floortje Zwigtman (pseudoniem van Andrea Oostdijk, Terneuzen, 1974) wordt gezien als een vrouwelijke Charles Dickens. Op uitzonderlijke wijze vertelt ze over het leven in Londen in de Victoriaanse tijd, de periode van de beroemde Oscar Wilde die leefde van 1854 tot 1900. Zij beschrijft alles heel gedetailleerd, de lezer ziet, ruikt en hoort bijna het straatbeeld van het ‘wilde’ Londen van die tijd. Door zo te schrijven, met aandacht voor alle zintuigen wordt de lezer vanzelf meegesleept in het verhaal. Londen was toen echt het centrum van de wereld en verschafte het spanningsveld van een tijd die ouderwets en streng, en toch ook weer heel modern was. Veel moderner dan mensen denken, in 1870 was rolschaatsen zelfs een grote rage en werd het dagelijks nieuws al heel snel via telegraaflijnen verspreid.
De korte roman The Picture of Dorian Gray (1890) en het levensverhaal van Oscar Wilde hebben haar altijd gefascineerd, iemand die op zo’n flamboyante wijze afweek van het gemiddelde, is natuurlijk een prachtig personage. In de trilogie wordt veel aandacht besteed aan de uiteenlopende visies op homoseksualiteit die aan het einde van de negentiende eeuw gangbaar waren. Zeldzaam openhartig worden de (homo)seksuele ervaringen van de hoofdpersonen beschreven.
Voor het schrijven van deze trilogie, die ruim 1600 bladzijden telt, heeft zij enorm veel research verricht. Aanvankelijk in de Zeeuwse Bibliotheek en de Koninklijke Bibliotheek maar al snel in Engeland waar, om een leuk voorbeeld te noemen, een catalogus van Harrods uit 1895 een dankbare bron van informatie vormde omdat bij Harrods in principe alles verkrijgbaar was. Als je een olifant wilde, kon je die daar bestellen. Specialistische informatie was ook via internet te vinden en in allerlei databanken. Een reisgids voor Parijs, 1895, gaf beschrijvingen van hotels, adresjes waar je kon eten en wat je dan at. En het Louvre kwam bij wijze van spreken schilderij voor schilderij aan bod. Wat in de kunst van die tijd en in de subcultuur van de purperen hofhouding (de groep van intellectuele vrienden rond Oscar Wilde) belangrijk was komt de lezer via personages als Vincent Farley, en Augustus Trops te weten. Farley is een kunstenaar maar Trops is een voorbeeld van de decadente tijd en toch is hij een goedzak. Via het meisje Imogen zien we hoe de rijkere kinderen werden opgevoed. In Spiegeljongen komen we via de sinistere travestiet lady Kinderly en Paul McBride, een Amerikaanse journalist met een voorkeur voor ‘bittere eindes’ van alles te weten over het onderwerp (en subplot) kinderhandel en pedofilie. Maar eigenlijk is elk personage in de trilogie een bron van informatie, van kroegbaas tot pooier, van vriendin tot vriend, van heilsoldaat tot prostituee.
Floortje Zwigtman heeft bij het schrijven geen bepaalde lezersgroep voor ogen, ze schrijft de boeken die ze zelf zou willen lezen. In de praktijk, bij boekhandels en bibliotheken wordt de trilogie veelal bij boeken voor jongeren geplaats, de cross-over books. De lezers zijn leerlingen vanaf de bovenbouw in het voortgezet onderwijs tot tachtigjarigen. Vertalingen in het Duits en Deens getuigen van grote waardering buiten Nederland, de Duitse vertaling van Schijnbewegingen werd in 2009 zelfs genomineerd voor de Duitse Staatsprijs voor jeugdliteratuur.

Deze brede waardering voor ‘onze’ Zeeuwse schrijfster wordt mooi verwoord in een recensie van Jürgen Peeters in het tijdschrift De Leeswelp (2010, nr. 3, p.116/117):
De trilogie ‘Een groene bloem’ getuigt van diepmenselijke inzichten in de psyche en het ruime scala aan verborgen en verdrongen verlangens dat ons drijft. ‘Spiegeljongen’ leest als een bijzonder pleidooi om eigen keuzes te maken, trouw te blijven aan jezelf en vormt zo een krachtige en waardige afsluiter. Een trilogie als een huzarenstukje, dat zonder enige twijfel een ereplaats verdient in de annalen van de adolescentenliteratuur. ‘Een groene bloem’ is een van die zeldzame stilistische en inhoudelijke pareltjes, een kleurrijk en intrigerend patchwork dat totale overgave van de lezer vraagt. Zonder concessies te doen aan de doelgroep, zonder te moraliseren en zonder in storende gemeenplaatsen te vervallen, biedt ze zowel adolescenten als volwassenen een boeiend, levensecht en universeel portret van een adolescent op weg naar volwassenheid.’
In april 2010 kondigde Floortje Zwigtman plannen aan voor het schrijven van een reisgids over het Londen van Adrian Mayfield. Waar kun je nu nog de sfeer van zijn tijd opsnuiven, waar kun je een biertje drinken als in The King’s Arms, wat waren de beste winkelstraten anno 1895?
Een mooi vooruitzicht, we laten ons graag opnieuw meenemen op een prachtig reisavontuur.

Wie op de hoogte wil blijven kan informatie vinden op de site van Floortje Zwigtman en haar volgen via Hyves.

Tenslotte:
Mijn dochter en ik hebben deze trilogie 'verslonden', we want more!
Bronnen: Bibliotheekblad, nr. 9, 2009
Leesgoed, nr. 5 , 2009
De Leeswelp, nr. 3, 2010

donderdag 4 november 2010

Zeeuws natuurlijk, in elke punt en komma. Of toch niet?

Welke argumenten zijn voor de jury van doorslaggevend gewicht voor de keuze van het winnende boek van de Zeeuwse Boekenprijs? Ieder jaar is er voor en na de prijsuitreiking volop deining en discussie. Dit maakt het leuk en interessant om het fenomeen Zeeuwse Boekenprijs te volgen. En, met alle respect voor de jury en de genomineerden, ik wil eens proberen die ‘deining’ te verkennen. Op het moment dat ik dit schrijf is de winnaar van 2010 nog niet bekend, dat is voor deze verkenning ook niet echt belangrijk.

Vrijdag 8 oktober werden de vijf genomineerde titels en enkele juryleden aan het publiek ‘gepresenteerd’ in een uitzending van Leescafé Live in de Zeeuwse Bibliotheek. De jury geeft aan dat ze zich tot doel stelt het meest waardevolle boek te kiezen en tekent daarbij aan dat er een brede opvatting gehanteerd wordt over wat Zeeuws is. Alleen ‘erfgoed’ is een te smalle basis, het mag over Zeeland gaan, de auteur mag ook alleen in Zeeland zijn geboren en over andere onderwerpen publiceren. Tijdens het programma vertellen de juryleden voorzichtig iets over de vijf kanshebbers:
1. Het kraaien van de haan – Piet Meeuse (De Bezige Bij)
Een zeer originele roman die de levensloop van Jezus in een totaal nieuw licht zet. Een fantastische reis door de tijd met hilarische en absurde ontdekkingen. Een roman die de verhouding mythe en werkelijkheid op scherp zet.
2. Veranderend getij – Marcel Metze (Balans)
Kritisch boek over Rijkswaterstaat waarin onderzoeksjournalist Marcel Metze ‘van binnenuit’ het proces van een reorganisatie weergeeft. Staaltje top-journalistiek over een machtsstrijd.
3. Spiegeljongen – Floortje Zwigtman
Meeslepende historische jeugdroman die ook door volwassenen hoog gewaardeerd wordt. Na ‘Schijnbewegingen’ en ‘Tegenspel’ het laatste deel van de trilogie ‘Een groene bloem’. Een spannende, bijna filmische en gedetailleerde beschrijving van het leven van de 17-jarige homoseksuele Adrian Mayfield in Londen in de tijd van Oscar Wilde.
4. Een pion voor een dame – Antheun Janse (Balans)
Biografie over Jacoba van Beieren (1401-1436), de laatste gravin van Holland en Zeeland voor de Bourgondiërs. Een vorstin die viermaal trouwde, een beetje 'stout' was, diverse oorlogen voerde en uiteindelijk jong en tragisch aan haar einde kwam. Indrukwekkend, goed geschreven, heel leesbaar en interessant vanwege de vele details.
5. Dorsvloer vol confetti – Franca Treur (Prometheus)
Roman waarin, door de ogen van de twaalfjarige Katelijne, een liefdevol portret wordt geschetst van een orthodoxe Zeeuwse familie met een geheel eigen vertelcultuur. Een overweldigend debuut met prachtig taalgebruik en een mooie sfeertekening van het Walcherse platteland.

Uniek in de geschiedenis van de boekenprijzen is het feit dat Dorsvloer vol confetti tevens genomineerd is voor de Jan Bruijnprijs: de prijs voor het meest Zeeuwse boek over een Zeeuws onderwerp. De andere kanshebber hiervoor is het stripboek Zeeland van Nehalennia tot Westerscheldetunnel : 2000 jaar geschiedenis in strip met tekeningen van Danker Jan Oreel en tekst van Jan Zwemer (Het Paard van Troje), volgens de jury een heel bijzonder uitgave.

Waar is nu elk jaar weer discussie over? Wanneer de jury zelf aangeeft het meest waardevolle boek te kiezen, ligt de vraag voor wie dan wel voor de hand? Alle titels hebben een grote waarde voor een bepaalde doelgroep, het kan ook gewoon voor niet-Zeeuwen waardevol zijn. De jury gaat de keuze elk jaar ook weer netjes uitleggen, kiest soms verrassend voor winnaars die niemand had verwacht. In 2006 won de in Zeeland geboren schrijfster Carolijn Visser met Miss Concordia : vrouwen in den vreemde de boekenprijs. Met als gevolg grappige narrige reacties zoals: die vrouwen in den vreemde waren niet eens van Zeeuwse komaf.

De meeste discussie blijft zich echter concentreren rond de verwarrende term Zeeuwse Boekenprijs. Wat is een Zeeuws boek? Of is het een Zeeuwse prijs voor een boek? Het blijft wringen. Dat de gezamenlijke Zeeuwse Boekverkopers van 3 t/m 13 november de 'Week van het Zeeuwse Boek' organiseren is een prettige bijkomstigheid. Volgend jaar zal de discussie weer zo zijn en dat is m.i. jammer voor het imago van de prijs. Hoe leg je uit dat het onderwerp ook niet-Zeeuws kan zijn? We hebben de Zeeuwse Vlag, de ‘Smaek van Zeeland’, de Zeeuwse Vlegel, de Zeeuwse Belofte, Zeeuwse sieraden en wat niet al, toch hoeven de ingrediënten van de genomineerde boeken niet Zeeuws of streekeigen te zijn.
In een leuke column in de PZC (15 september) werd voorgesteld om de prijs maar toe te kennen aan De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet van David Mitchell. Een verhaal over de belevenissen van de Domburgse klerk Jacob de Zoet op een VOC-post bij Japan. Dit verhaal zou de enige mogelijke winnaar zijn, ware het niet dat vertalingen uit het Engels nu niet mee mogen doen. Wie weet worden de reglementen veranderd, we zullen zien, ik heb geen glazen bol.
De journalist die in de boekenrubriek van de PZC drie titels besprak gebruikte ook verwijzingen naar het Zeeuwse gehalte: En Zeeuws natuurlijk, in elke punt en komma. Of: de link met Zeeland is … aan de dunne kant. Of: een piekje in het Zeeuwse land der letteren van afgelopen jaar.

Misschien is de tijd rijp om het concept Zeeuwse Boekenprijs te veranderen. Dit zou kunnen door het instellen van soortgelijke Provinciale culturele en literaire prijzen. Op deze manier kunnen Zeeuwse auteurs die ‘wereldwijd werken’ ook Zeeuws geëerd worden. Ik begeef me hiermee op gevaarlijk en onbekend terrein, misschien bestaan die prijzen allang, maar als hoofdprijs een verguld Zeeuws paspoort lijkt me wel een idee. Een mooie Zeeuwse Knoop kan ook!
Een aparte prijs voor fictie en non-fictie, poëzie en jeugdliteratuur zou het overwegen waard kunnen zijn.

Zeeuws Knoopje zou het toch logisch vinden dat een Zeeuwse Boekenprijs gaat naar een boek over een Zeeuws onderwerp. Een keuze tussen Een pion voor een dame en Dorsvloer vol confetti ligt dan dit jaar voor de hand. Een pion voor een dame, geschreven door een universitair docent middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit Leiden, vult een hiaat in de Zeeuwse geschiedschrijving. Erudiet, met zestig bladzijden voetnoten, bronnen en literatuur interessant voor geschiedenisliefhebbers. Mijn favoriet zou Dorsvloer vol confetti zijn, een roman die met liefde de Zeeuwse identiteit ter sprake brengt en, naar ik mag ik hopen, bijdraagt aan vernieuwing van deze identiteit. Tegelijkertijd gun ik Floortje Zwigtman ook de hoofdprijs, wat een leesplezier verschaft zij ons al jaren... Wanneer een Zeeuwse vrouw in den vreemde gaat, 19de eeuws Londen, levert dat spannende verhalen op!
Vrijdag 5 november vindt de prijsuitreiking plaats. Op uitnodiging, dat is een beetje jammer voor Zeeuwen, zoal ik dus, die er niet bij kunnen zijn. En 2011? Een boekenfestival met muziek, allerlei boekenmarkten, gevel-gedichten, lezingen, prijsuitreikingen, boek-verfilmingen, voorleessessies, documentaires, ontmoetingen met en activiteiten rondom Zeeuwse schrijvers zou veel leuker zijn. Een bruisende meerdaagse Manuscripta in Middelburg? Volop discussie, debat en beweging. Waarom niet? Scoop, grijp je kans en ga dit onderzoeken! Ik ken wel een gebouw met vier verdiepingen draagvlak.
En de boekenprijs? Zou het een ramp zijn wanneer we dan eens kiezen voor letterlijk het zwaarste boek, de titel die het meeste gewicht in de schaal legt?

zondag 31 oktober 2010

Herfst & weemoed huppelen over het picknickkleed




Voor wie ik liefheb wil ik schrijven, met dit motto begon ik vanaf maart af en toe iets te vertellen.
Tijd voor een bloemetje, een dahlia uit eigen tuin, en twee gedichtjes die ik dit jaar tegenkwam en met jullie wil delen.
Het regent zachtjes vandaag. In de herfst kunnen we ons soms gevangen voelen in webben van weemoed die om ons heen hangen. Bladeren verkleuren, ik verf mijn haar kastanjebruin ook al weet ik dat…
We gaan gewoon door, plukken mispels, rapen appeltjes, zoeken paddenstoelen, stoven peertjes en nog veel meer. We snoeien, kloven, hakken en stapelen het hout voor vuurkorf en open haard.
We halen wijn in huis, merlots met namen als Stormhoek, Welmoed en andere Vonkelwynen, we heffen het glas op de seizoenen, we zijn er nog, dat wel! De hemel willen we later ontdekken, we hebben geen haast. We hebben leeftijd, maar geen ouderdom.

Uit de bloemlezing van Gerrit Komrij: De 21ste eeuw in 185 gedichten, De Bezige Bij, 2010 het volgende gedicht van D. Troch:

You didn’t feel it coming

We hebben leeftijd, maar geen ouderdom.
het deken uit de picknickmand spreiden wij
achteloos in het gras. wij ontkurken wijn,

snijden het brood met vaste hand, voelen ons
vrij en blazen bloemblaadjes weg die rondom
ons dwarrelen, dreigen in een glas te vallen

ons leven lijkt nog op een tekenfilm tafereel:
sprinkhanenconcert, bordkartonnen setting.
Wij kunnen wachten tot de avond komt.


Het andere gedichtje is van de Vlaamse dichter H. Van Herrenweghen en te vinden in de bundel Webben & wargaren, 2009

Beklaag niet de stokoude man,
Die op de stoep, zo snel hij kan,
de zolen schuifelt een voor een,
om tussen voet en voet te wachten
tot hij weer klaar is met een been.
Hij huppelt in gedachten.

Dus, lieve lezers, vul in de herfst een picknickmand en huppel zo de winter in, misschien blijft het nog even zomer.
Zomaar wat plaatjes uit een boek dat al jaren in mijn boekenkast staat. De schoonheid van de dahlia & de weemoed van oudere boeken ineen. Althans, zo voel ik dat.

dinsdag 26 oktober 2010

De beklimming van een schoorsteen bij Poortvliet


Ik heb het overleefd, spannend was het wel, ik ben echt bang geweest! Zaterdag 23 oktober was er een inloop- en klimfeestje in de buurt van Poortvliet. Op eigen risico mocht je daar een schoorsteen beklimmen want de eigenaar gunde anderen ook een mooi uitzicht. Onderweg had ik al zo’n vreemd gevoel, het landschap met verlichte kassencomplexen onderweg had iets surrealistisch, de Oesterdam bood spannende vergezichten met dreigende luchten en even later zag ik zomaar een veldje bloeiende zonnebloemen op het eiland Tholen, eind oktober, zeg nou zelf, eigenaardig toch? Onderweg vroeg ik me af of ik wel voor die schoorsteen op weg was of misschien ook, eerlijk gezegd, om de eigenaar te ontmoeten, een beroemde Zeeuw waar ik torenhoog tegen op kijk. Was ik eigenlijk niet een beetje een voyeur? Vroeger op school nam je voor een jarige meester altijd een cadeautje mee, ik had een prentje meegenomen, niet eens zelf getekend, gratis gekregen ook nog, en ik was bang dat hij die afbeelding al lang aan de muur had hangen.


De reden van het feestje was het honderdjarig bestaan van Stoomgemaal Oosterschelde. De schoorsteen is in het verleden bijna gesloopt, twee keer was het kantje boord en de huidige eigenaar zag het verval met lede ogen aan. Restauratie van de enige schoorsteen in Nederland die in het water is gebouwd volgde.

Bezoekers mochten de klim wagen, mits het weer het toe zou laten. Het waaide wel aardig, 6 of 7 Beaufort, en het regende ook een beetje.
Ik heb de klim gewaagd, met bonzend hart naar boven, knikkende knieën en koude handen, als een mak schaap achter de eigenaar aan die mij dit mooie uitzicht zo gunde. Het was zoeken naar houvast, Mister Panic zat me op de hielen, wilde me inhalen, dat lukt hem wel meer, maar mijn Panama Jacks stonden vandaag stevig op de laddertjes. Vijfentwintig meter omhoog en het is gelukt! Tranen over mijn wangen van de wind, mijn neus begon spontaan te lopen en ik was bang dat mijn bril en camera zouden gaan vliegen, de foto's worden vast zo scheef als wat! Daarboven is het uitzicht adembenemend! Je weet niet wat je meemaakt, je ziet het landschap, de schapen, de Oosterschelde, vogels, de dijk, huisjes, je weet dat er beneden hospeejen of strekgos groeit al zie je dat van bovenaf niet staan. En, al weet ik dat dit vreemd klinkt, je voelt je gedragen door duizenden boeken. Tegelijkertijd voel je die schoorsteen heel zachtjes schommelen en zwiepen, de grond onder je voeten beweegt en je weet het niet helemaal zeker… je had nog zoveel plannen met je leven… En schreef die eigenaar niet heel erg vaak over rampen? Er zit in die
vijf minuten daar boven op de schoorsteen veel turbulentie onder mijn dakpannetjes. Ik wil het einde nog lezen van het o zo mooie De grote zaal al weet ik wel hoe dat 'afloopt', ik moet nog boodschappen doen en ik wil vanmiddag naar de finissage van In Vogelvlucht in de Vleeshal...

Terug naar beneden was een makkie, ik heb nog een poosje staan natrillen en zo onopvallend mogelijk de snot van m'n leren jas afgeveegd. Er werd een fles ontkurkt, het drankje deed wonderen. En zo hard waaide het nou ook weer niet, soms waait het honderd keer harder, de schoorsteen heeft een bepaalde elasticiteit, niks aan de hand.

Ik heb boven wèl een stoeltje zien staan, hier zit de schrijver af en toe te genieten van het uitzicht en inspiratie op te doen voor nieuwe boeken, zijn volgende boek gaat kilo's wegen, telt 656 bladzijden en gaat vooral over de watersnoodramp...
Op een heerlijk zacht bankje heb ik gekeken naar een interessante dia-presentatie over de geschiedenis van het stoomgemaal en over het restauratieproces van de schoorsteen. In 1951 heeft het Loodswezen er zelfs een lantaarn in aangebracht, als lichtbaken voor de scheepvaart. Het was de redding van de schoorsteen, die anders zou zijn gesloopt. In 1986 werd het licht gedoofd en uiteindelijk wist de Bond Heemschut de sloop van dit stukje industrieel erfgoed te voorkomen. Er is deze zaterdag volop belangstelling voor het vakmanschap, allemaal aardige mensen lopen in en uit. Het voelt alsof je daar bij Poortvliet je handen & ziel mag verwarmen bij een ouderwets kacheltje. Ik weet dat er door een Zeeuwse dichteres twee mooie gedichten over het stoomgemaal zijn geschreven, het boekje waar deze instaan had ik in mijn jaszak mee naar boven genomen, als ik naar beneden zou storten… dan wel graag omringd door poëzie. Nu ik dit schrijf weet ik dat de dichteres een gelegenheidsvers voor de eigenaar en zijn medevierders heeft geschreven, ik hoop dat zij dit in de toekomst wil publiceren. De laatste twee regels luiden:
Wat is zal zijn, wat was zal blijven
Ook dit Gemaal : het overleeft ons wel.

Die middag zal de eigenaar de pijp nog eenmaal laten roken, samen met een vriend, een voormalig brandweerman, steekt hij de rookpotten aan. Ik heb het niet gezien maar ik stel me zo voor dat ze als twee kwajongens in dat piepkleine hokje boven met dat vuurwerk hebben zitten spelen. Ze zullen daarna, toen de rook om hun hoofd was verdwenen, het glas geheven hebben. Zelf was ik allang weer in Middelburg waar het heel hard regende.

Trots op een boei & een baken.

Het Gemaal overleeft ons wel en Zeeuws Knoopje heeft de beklimming overleefd.

In mijn tuin bloeit Zeeuws Knoopje gewoon door in de herfst.

De geciteerde dichtregels komen uit het gelegenheidsvers, geschreven door Johanna Kruit
Hospeejen/strekgos: de angst van de landarbeiders want deze grassoort wortelt heel diep
Foto's: de toren : zie website geschiedenisinzeeland.nl Andere foto's, ook die 'historisch' juiste scheve foto: Zeeuws Knoopje

maandag 25 oktober 2010

Leestip: De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet / David Mitchell

Oost, west… Na een lange reis keert Jacob de Zoet op maandag 3 november 1817 terug naar Zeeland. Ruim zeventien jaar heeft hij gewerkt op Deshima, een Nederlands eilandje bij Japan, en aan het einde van deze originele historische roman reist hij via Rotterdam, met een beurtschip naar Veere, waar niemand de weergekeerde Domburger herkent. Per rijtuig is het maar een halfuurtje naar Vrouwenpolder, maar Jacob gaat liever lopen alvorens hij aanklopt bij zijn zuster Geertje. De zondag daarop beluistert hij alweer een preek in de kerk van Domburg. En al snel rijdt naar Middelburg voor ontmoetingen met de directeuren van handelshuizen en importbedrijven, er worden contracten getekend. Na zijn vijftigste wordt hij gekozen in de gemeenteraad van Middelburg. Deze Zeeuwse gegevens maken het lezen van De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet van David Mitchell (1969) tot een avontuurlijke reis waarvan het einde het ‘beste’ gevoel geeft van eindelijk weer thuis komen, althans dat is mijn persoonlijke ervaring als Zeeuwse, ik ben geboren in Veere en woon in Middelburg. Eind 1799 vertrekt Jacob de Zoet, afkomstig uit Domburg, het neefje van de pastorie, naar het Deshima, een hoog ommuurd, waaiervormig, kunstmatig eilandje, naar Jacobs schatting zo'n tachtig passen breed en, net als het grootste deel van Amsterdam, gebouwd op verzonken palen. Het is de verste handelspost van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en vanaf 1641 het kattenluik tussen Japan en de westerse wereld. Als jonge griffier (klerk) moet hij de corruptie aantonen van het vorige opperhoofd. Dat valt niet goed bij zijn landgenoten die ook hun graantje meepikten, maar het brengt hem de vriendschap van een Japanse tolk Ogawa. Jacob de Zoet raakt in de ban van de Japanse vroedvrouw Orito, U bent wonderschoon, die bij hoge uitzondering, als dank voor het redden van de baby van de plaatselijke magistraat, mag studeren bij de Nederlandse chirurgijn en botanicus Marinus op Deshima. Het feit dat de liefde uiteindelijk niet ‘geconsumeerd wordt’ doet niets af aan de spanning van deze roman. Verraad, bedrog en vertrouwen, liefde en lust, schuld en geloof, moord en corruptie, integriteit en geloof spelen allemaal een rol in dit fantastische verhaal waarbij Mitchell volop gebruik maakt van de methode genre hopping. Avonturenroman, historische roman en liefdesgeschiedenis, een geo-politieke thriller, inclusief aanvallende Britse oorlogsschepen, met daartussen in een ‘gothic adventure story’ als Orito bevrijd moet worden uit het horrorklooster, het huis der zusters in het heiligdom op de berg Shiranui, waar de ‘nonnen’ worden bevrucht om hun baby’s te offeren in ruil voor het 'eeuwige leven' van de monniken. Wat Japan betreft: democratie was destijds niet de bloem die in Japan groeide. Jacob de Zoet en Orito zijn de belangrijkste personages in deze roman die overigens druk bevolkt wordt door allerlei andere interessante personen, van kruidenvrouw tot ontsnapte monnik. Jacob is de rechtlijnige klerk, gelovig, integer, optimistisch, strenger en braver dan de mensen om hem heen, ‘too good to be cool’, een onverzettelijke Zeeuw die zich staande houdt in de slangenkuil van Deshima. Mijnheer Dazûto of mijnheer 'Dommeburger' wordt hij ook wel genoemd. De fantasie en het vertelplezier vieren hoogtij. De roman is weergaloos van stijl, taal en verbeelding. De sfeer van het onbekende Japan, het leven aan boord van de schepen, het machtsspel en de corruptie wordt in geuren en kleuren beschreven. Ruwezeebonktaal, formeel taalgebruik, handelstaal, medische terminologie, poëtisch taalgebruik, het wisselt elkaar steeds af. Mitchells meerstemmigheid is scherp als altijd, hij voert wetenschappers uit oost en west net zo overtuigend op als het zooitje ongewassen zeelui. Het taalgebruik van Rafferty, het hulpje van de scheepschirurgijn en Arie Grote is echt geweldig. Indrukwekkend is tevens de stem die Mitchell aan de slaven en bedienden geeft, slaven hebben geen bezit, slaven zijn bezit. Het verhaal van de slaaf van Meester Fisher is een hoogtepunt in deze roman. Kenmerkend voor de stijl is het gebruik van veel dialogen, dit nodigt uit tot lezen en doorlezen. Interessant voor Zeeuwse lezers is de vraag hoe Zeeuws deze roman in werkelijkheid is. Mitchell’s bijzondere dank gaat o.a. uit naar Peter Sijnke van het Zeeuws Archief in Middelburg. Maar… Met de werkelijkheid maak je geen goede roman, zegt hij in interviews. Een bezoek aan Middelburg, het zien van VOC-panden en een huis met de naamAlles is omgekeerd’, (Spanjaardstraat 47) bracht hem op het spoor van het personage Jacob de Zoet. Zo’n soort huis zou de Zoet in Middelburg bewoond kunnen hebben… In werkelijkheid zijn de memoires van Hendrik Doeff een belangrijke bron van informatie geweest. Deze Hendrik was ‘opperhoofd’ (hoogste bewindvoerder) van Deshima, de handelspost voor de kust van Nagasaki, van 1803 tot 1817. Prachtig materiaal, maar vervolgens door Mitchell zeer vrij gebruikt. Archiefmateriaal, de Dagregisters van Deshima, en vele andere documenten zijn veranderd in een fictief verhaal. Op de vraag wat Jacob de Zoet tot een echte Zeeuw maakt antwoordt David Mitchell in een interview bij Omroep Zeeland: Jacob de Zoet geeft nooit op, zijn geloof geeft hem kracht en het zout zit gewoon in zijn bloed. We komen Zeeuwse namen tegen zoals Wisse maar of Abraham van Doeselaar echt heeft bestaan?, het kan zomaar een knipoogje naar een bekende zijn. En de tante van Marinus, Lidewijde Mostaart, de scherpzinnige en gulzige verslindster van het woord, zou ze echt bestaan hebben? Grappig is de dialoog tussen Marinus en Jacob (p. 41): ‘Ik kom uit Domburg, mijnheer, een kustplaatsje op Walcheren, in Zeeland.’ ‘Walcheren, zegt u? Ik ben eens in Middelburg geweest.’ ‘Toevallig heb ik mijn opleiding in Middelburg genoten, dokter.’ Marinus laat een blaffende lach horen. ‘Ik wist niet dat er in dat volslagen cultuurloze gat, dat broeinest van slavenhandelaren, opgeleid kon worden.’ ‘Misschien dat ik de komende maanden uw opinie over de Zeeuwen enigszins zal kunnen opvijzelen…’ Voor Zeeuwse lezers zou het interessant zijn wanneer David Mitchell eens het een en ander zou willen vertellen over het gebruikte archiefmateriaal. Ik hoop dat de Stichting Literaire Activiteiten Zeeland en het Zeeuws Archief hem volgend jaar kunnen uitnodigen. Hij zou een ideale wintergast zijn voor Omroep Zeeland… Tot slot: Deze roman, uitgegeven door Ailantus, is niet alleen een aanrader voor de winteravonden maar ook een echt herfstboek. Interview-fragmenten zijn te zien op de site van Ailantus. De engelse titel: The Thousand Autumns of Jacob de Zoet verwijst naar de omschrijving die Japan in de oudheid van zichzelf gaf als het Land van de Duizend Herfsten. Het slaat een mooi bruggetje naar de hoofdpersoon, die na zijn aanvaring met de Hollandse bewindvoerders en zijn onbeantwoorde liefde voor een Japanse vroedvrouw al heel jong in de herfst van zijn leven komt. Dat die herfst schitterend werd, en wel in de gemeenteraad van Middelburg, maakt de roman voor Zeeuwen en niet-Zeeuwen heel bijzonder. Over de omslag: het kaartje van Deshima is gebaseerd op de prachtige kaart van de Platte Grond der Nederlandsche Factorij op het Eiland Desima bij Nangasaki.