![]() |
Noordoostpolder: mijn grootouders (rechts) met dochters en zoon op hun land, ca. 1956 |
Een nieuw leven in het
nieuwe land. Mijn grootouders behoorden tot de gelukkigen die in 1949 in de
Noordoostpolder een bedrijf mochten pachten. Tijdens de oorlog, in 1944, werd
hun boerderij Driewegen* aan de
Schroeweg in Middelburg door de bezetter verwoest. Ze waren welkom bij een
boerengezin in de buurt. Na de inundatie konden ze ook daar niet blijven en werd onderdak gevonden op de zolder van een oom die in Middelburg een bakkerij in de Brakstraat
had. In 1945 is het gezin geëvacueerd
naar Axel. Een jaar later betrokken zij (tijdelijk) de boerderij van familie in
Grijpskerke. Het boeren op de verzilte Walcherse grond was zwaar. Mijn
grootouders en vele andere Walcherse boeren vestigden hun hoop op een toekomst
in de Noordoostpolder.
Mijn grootvader J.J.
Dingemanse (1906-1989) heeft in 1979 over zijn leven schriften vol geschreven en zijn
levensgeschiedenis opgedragen aan kinderen, klein- en achterkleinkinderen. In de uitgave Roos en Doorn zijn deze verhalen gebundeld, het boek is opgenomen
in de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek.
In Roos en Doorn
beschrijft hij, met de nodige afstand en
relativering, hoe de oorlogsjaren uitpakten voor zijn gezin, hoe alles verloren
ging behalve hun optimistisch karakter en de hoop op een nieuwe toekomst. Hij
wilde eigenlijk wel emigreren maar daar voelde mijn grootmoeder A.W.
Dingemanse-Poppe (1907-1994) niets voor: Ko, dan zal je toch alleen moeten gaan. Ik ga niet naar de wilde. Naar de Noordoostpolder wilde zij wel graag. Hij vertelt over de gesprekken met de mannen op het kantoor van
Landbouwherstel in Middelburg. Het was al snel duidelijk dat inschrijven op een boerderij in de Noordoostpolder tot de mogelijkheden behoorde. In 1948 kwam het besluit
van minister van Landbouw Sicco Mansholt om 3.000 hectare ter beschikking te
stellen aan landbouwers uit Walcheren. In 1948 werden gegadigden uitgenodigd om
eens een kijkje te komen nemen. Op www.flevolandsgeheugen.nl is over de selectie van pioniers en de
voorkeursgroep Walcherse boeren een aardig interview te lezen met opper selecteur Bram Lindenbergh.
![]() |
In het tweede deel van Roos
en Doorn kijkt mijn grootvader terug op deze eerste polderjaren. Na het lezen en bespreken (op mijn blog) van Het nieuwe land - Het verhaal van een polder die perfect moest zijn van Eva Vriend wil ik een stukje familiegeschiedenis met mijn lezers delen. Als aanvulling & eerbetoon.
Ik citeer
uit Roos en Doorn de integrale tekst van mijn grootvader (p. 159-162):
NA DE OORLOGSJAREN
Het tweede deel is
geëindigd met de inschrijving naar de Noord Oostpolder. Wat daar omheen en
verder is gebeurd moet er ook nog maar
uit.
Wij zijn met een volle
bus naar de NOP gereisd, en hebben daar
door die kale vlakte gereden waar zo hier en daar aan de gebouwen werd gewerkt.
Dorpskernen waren er wel. Daar stond dan een kamp met kantine, zoals Emmeloord,
Marknesse en Luttelgeest. De rest was nog op papier. Wij werden ontvangen door
de directie. Op kaarten werd alles aangewezen. Ook de bedrijven die voor ons in
aanmerking kwamen. Wij zijn dan naar die bedrijven gereden om de ligging en de
grond te zien. Bij de inschrijving moest je vermelden waar en waarom je dat
bedrijf wilde hebben. En voor de inschrijving waren er enkele mensen aan de
deur geweest om te vragen en te zien. Die keuring was bij de Walchenaren wel
soepeler dan bij de pioniers, omdat het noodzaak was om hier weg te komen. Toch
werden er nog enkelen afgewezen omdat ze niet te boek stonden als goede boer.
En in zo’n geval kwam er gewoon geen oproep.
Voor wat die pioniers
betreft was het niet zo eenvoudig, die waren door die moeilijke tijd heen gebokst
om aan een bedrijf te komen. Ze zaten te snakken naar de uitgifte. En nu het
zover was, kwamen de Walchenaren er tussen en na ’53 wat boeren van de
stormramp van Schouwen. Veel van die pioniersjongens stonden op trouwen en te
wachten op een bedrijf. En nu dit voorrang aan de rampgebieden, dus weer
wachten.
Toen het zover was dat
wij gepacht hadden, dat was najaar 1949, toen ging de pacht in en in het
voorjaar 1950 het gebruik van de gebouwen.
Eind februari 1950 zijn de paarden en werktuigen, die we al
hadden opgeladen, en zijn wij, met achterlating van het gezin en het vee, naar
de toekomst vertrokken. Enkele boeren van hier woonden daar al een maand daar
de gebouwen op de grotere bedrijven eerder
gezet waren.
Bij één van die
boeren, bij P. Schoe aan de Luttelgeesterweg, werden wij ondergebracht. Van
daaruit deden wij ons voorjaarswerk tot de woning klaar was en de rest ook kon
komen. Bij Piet Schoe was ook G.V. ondergebracht die naast ons aan de
Vollenhoverweg een boerderij had gepacht. Het lag wel in de bedoeling om, ook
wat werktuigen betreft, samen wat op te trekken. Maar voordat de zes weken bij
Schoe voorbij waren wisten wij al dat dat niet kon. Onze karakters lagen te ver
uit elkaar om tegelijk op te trekken. Gelukkig dat wij in deze proefweken
elkaar leerden kennen. In de praktijk is later gebleken dat het nooit was
gelukt.
De eerste maand voor
ons dan in de polder, zonder ’t gezin, viel wat het weer betreft erg tegen. Het
wilde niet drogen dus landwerk was er nog niet. We fietsten er wel elke dag
naar toe. De tijd moest toch om.
Ook in de schuur bij
Schoe was er niet veel meer te doen dan voor de paarden zorgen. En mijn
gedachten waren steeds maar bij mijn gezin en bedrijf op Walcheren. Zodat ik
het eerste weekend al terug ging. Ik heb altijd vlug last van heimwee. Mijn
kameraden dreven erg veel de spot met mij. Maar ze zouden wel voor mijn paarden
zorgen, dus dat was geregeld. Ik heb dat volgehouden tot het land droog was,
totdat er kon worden gezaaid. Ik ben dan ook wel eens een weekend daar
gebleven. Mijn vrouw en kinderen zorgden er voor dat thuis alles goed ging maar
vonden het wel een zware opgave. En het bleef zolang duren voordat de gebouwen
klaar waren. En de pachter die op het bedrijf kwam waar wij af gingen liep elke
dag te mopperen omdat de verhuizing zo lang duurde. Hij was bij de zestig jaar
en pas getrouwd en wilde nu ook wel eens met zijn aanwinst het rijk alleen
hebben. Hij zat nog met zijn vrouw bij een broer in.
Eindelijk was het dan
zover dat wij over een week de sleutels zouden krijgen. Zodra het werk het
toeliet zijn wij naar huis gegaan om alles te regelen. Dan werd het vee
opgeladen en ook drie meisjes gingen mee met schoonmaakbenodigdheden om de
woning schoon te maken, en het vee te melken en te verzorgen.
De meisjes vonden bij
Koppejan onderdak. Koppejan had zijn bedrijf aan de andere kant van de kavel.
Zijn woning was eerder opgeleverd. De meisjes vonden het niet zo mooi meer om
Walcheren vaarwel te zeggen en alles wat in vier jaar was opgebouwd aan
vrienden en vriendinnen weer los te laten is ook wel sneu. Sjaan klaagde over
haar Krijn en Lenie over Jo* en ga zo maar door. De post kreeg er goede klanten
aan. Maar ook dat was bij Lenie niet voldoende. Zij is vrij vlug terug gegaan.
Het is bij haar nu nog zo, als ze alleen ons hier opzoekt brengt de polderlucht
al heimwee naar binnen. De appel valt niet ver van de boom hé. Wat doe je er
aan?
![]() |
Overzicht van de Noordoostpolder Tekening van Henk Rotgans, 1943* |
Nu wij hier eenmaal
woonden werden allen ingeschakeld voor de opbouw in alle sectoren. Kerk en
verenigingsleven. Wij moesten helpen om rundvee- en paardenkeuring van de grond
te krijgen. Coöperaties moesten er komen en alles wat er voor de samenleving
nodig was. Velen waren er die zich overal met volle kracht in wilden zetten en
dat was ook hard nodig.
Wat financiën betreft
zaten wij wel goed. Door Landbouwherstel was nu alles teruggegeven wat met
water en oorlogsjaren verloren was gegaan en ingeleverd. Rund voor rund, paard
voor paard. Ook de landbouwwerktuigen. Maar twee jaar later liet de regering de
andere kant van de medaille zien. Ze gingen er van uit, in geld berekend ben je
nu veel rijker dan voor de oorlog (dat was ook zo). Een koe kostte in 1940 zeg
maar ƒ600,- en nu ƒ1600,- Dus als
boekhoudwaarde was alles veel hoger dan in 1940, nu waren we wat geldwaarde
betreft veel rijker. Maar voor ons is een paard van ƒ700,-
van toen net zoveel
waard als een paard van ƒ1700,- van nu. Vermogensaanwas zegt de fiscus, dus
geef maar één derde terug van hetgeen je hebt ontvangen. Wat een ellende. Weer
gaan oppassen om geen splinters onder de nagels te krijgen. Wat het huisraad
betreft, wij wisten al vier jaar lang voordat wij in de polder kwamen dat wij
daar terecht zouden komen. We dachten eerst bij de uitgifte van 1947 te kunnen gaan, maar het
werd 1949 voor de boeren uit Walcheren aan de beurt kwamen. Dus wat huisraad
betreft hadden wij niks gekocht, wat
niet hoogst noodzakelijk was voor de woninginrichting. Als schadevergoeding
kregen wij voor alles wat wij aan huisraad kwijtgeraakt waren ƒ900,- maar we
waren ƒ4000,- voor de inrichting kwijt. Gewoon, niets geen bijzonders. Later
hebben we nog ƒ900,- gekregen omdat wij voor Molest verzekerd waren. Na
betaling van die vermogensaanwas konden wij wel verder hoor, maar het was wel
een streep door de rekening. Op de boerderij van Marijs hebben we wel goed
geboerd. Er was geld om kleren en fietsen aan te schaffen in de loop van die
vier jaren. Hier in de polder kwam er ook genoeg van het bedrijf. Totdat wij
enkele jaren overstroomd werden met onweersbuien. Tot midden zomer groeide
alles mooi op, maar opeens sloeg dan het weer om en verdronken de gewassen. Zo
kan het in het boerenbedrijf soms gaan. Steeds op en neer, met regen en
droogte, met doordraaiprijzen, soms bunders aardappels of uien, vlas en erwten
waar het zaaizaad of pootgoed niet uit kwam. Ik heb het boek gelezen van
Terpstra, ‘Honderd jaren Friese landbouw’. Daarin komt het op en neer gaan der
bedrijven zo mooi uit. Vader schatrijk, zoon straatarm en toch beiden hun best gedaan... (einde citaat).
Vollenhoverweg en boerderij grootouders (helemaal bovenaan, links van het midden)* |
Tot zover de tekst van mijn grootvader over het begin van
zijn leven in de Noordoostpolder. In de loop van de tijd nam één van de drie zonen
het bedrijf over. Of mijn grootouders welvarend waren weet ik eigenlijk niet, ze hebben in elk geval met hun negen
kinderen en verdere familie een rijk leven
gekend, ook later in Marknesse. Positieve en lieve grootouders die voor mij altijd een voorbeeld zullen blijven.
* Familiefoto - privébezit
* Koningin Juliana bezoekt Walcherse boer in de Noordoostpolder in 1951. Fotocollectie Nieuw Land; Roel Winter te Marknesse
* Driewegen: in Middelburg is in Dauwendaele de kleine wijk Driewegenhof
vernoemd naar deze verdwenen boerderij. Op www.wijk dauwendaele.nl/de_wijk/historie
wordt aandacht besteed aan de geschiedenis van landhuizen, hofsteden,
buitenplaatsen en boerderijen en is informatie te vinden over de naamsverklaring van straten en
(deel)wijken en over de locatie van verloren gegane hofsteden
* Lenie en Jo – mijn ouders
* Overzicht van de Noordoostpolder, gemaakt door Henk Rotgans, 1943 Tekeningencollectie Nieuw Land, Collectie Henk Rotgans
* Bron: Luchtfoto-atlas Flevoland, 2005
Heel mooi stuk mam. Hoop dat boek Roos en Doorn nog een keer helemaal te lezen.
BeantwoordenVerwijderenErg mooi
BeantwoordenVerwijderenDit is leuk! ik ben geboren en opgegroeid op de boerderij die stond op de plaats waar eerst Driewegenhof was. Deze boerderij is nieuw gebouwd rond 1950. We vonden altijd stenen van de oude woning, die kwamen ieder jaar weer naar boven.
BeantwoordenVerwijderenIk lees dit verhaal al een paar keer en vind het heel bijzonder. Op een school vertel ik over de invloed van de strijd om de Schelde en de verdeling van de NOP.
BeantwoordenVerwijderen