zaterdag 19 maart 2011

Krullebol-Steilhaar In het Vlissingen van Geert van Oorschot / Arjen Fortuin


Krullebol-Steilhaar In het Vlissingen van Geert van Oorschot is de titel van Slibreeks nummer 133, een uitgave van het Centrum voor Beeldende Kunsten (CBK) te Middelburg. Arjen Fortuin, NRC-recensent en biograaf van uitgever Geert van Oorschot (1909-1987) werd gevraagd de tekst te schrijven voor dit Zeeuwse literaire kleinood. Deze uitgave verschijnt tijdens de Boekenweek 2011 die als thema heeft: Curriculum Vitae – Geschreven portretten. Arjen Fortuin hoopt in 2012 de volledige biografie van Geert van Oorschot te voltooien. Slibreeks nummer 133: een voorafje, een amuse, een op zichzelf staand verhaal. Feit is dat Geert van Oorschot uiterst amusant en genadeloos kon schelden op het Vlissingen van zijn jeugd, feit is nu ook dat Arjen Fortuin in Krullebol-Steilhaar overtuigend laat zien dat het door Geert van Oorschot geschetste beeld van het Vlissingen van toen niet altijd overeenstemde met de werkelijkheid die veel genuanceerder was. De presentatie van Krullebol-Steilhaar vond plaats op heilige grond, in het pand Badhuisstraat 64 (de villa) waar Geert van Oorschot ook heeft gewoond. Althans, dit was te lezen in de officiële uitnodiging. Achteraf gezien was dit net niet helemaal waar, en toch bijzonder toepasselijk. Niemand anders dan Geert van Oorschot verzon zijn eigen waarheid, sterker nog: niet met feiten maar vooral met fictie verdiende hij later als uitgever zijn brood.

Een halve eeuw nadat hij op zeventienjarige leeftijd met fiets en koffertje Vlissingen verliet, schrijft Geert van Oorschot in het verhaal Een causerie dat hij de stad haatte om alle vernederingen, pesterijen en verschrikkingen die er in zijn jeugd hadden plaatsgevonden. Hij schrijft over zijn HBS-tijd waar hij vijf lange jaren spitsroeden heeft gelopen omdat ze thuis arm, koppig en trots en socialist waren. In het ogenschijnlijk hilarische verhaal Een causerie lezen we dat hij terugkeert om een lezing te geven, het verhaal eindigt evenwel ontroerend. Na de lezing ontmoet hij bij de uitgang ouders van een jonge vriend die alleen maar even goedendag wilden zeggen. ‘Hoe graag had ik even met hen gesproken en hoe graag was ik even met hen mee naar huis gegaan.’ Met haat & liefde schreef hij pas op latere leeftijd over Vlissingen, zijn bescheiden literaire oeuvre speelt zich er vrijwel geheel af. De verhalenbundel Twee vorstinnen en een vorst verscheen in 1974, Mijn tante Coleta in 1976. De verzamelbundel De Vlissingse verhalen van R.J. Peskens verscheen in 1995, deze bundel wil ik iedereen aanraden! Hij koos de naam Peskens omdat een oude anarchist uit Vlissingen zo heette, de initialen R.J. ontleende hij aan de voornamen van twee van zijn geliefde dichters: Richard Minne en Jan van Nijlen.
Biograaf Arjen Fortuin verkent drie vragen: hoe was het werkelijk in Vlissingen voor hem, wat maakte hij er eigenlijk precies mee, wat is er over van de stad die hij bewoonde en daarna vastlegde?

In januari 2011 reist Arjen per trein, wat is het ver weg, naar Vlissingen en gaat hij op zoek naar de ‘roots’ van de schrijver van Oorschot en zijn verhalen. ‘Eigenlijk moet je deze badplaats niet op een sombere winterse dag bezoeken. Als het waar is dat eskimo’s duizend woorden voor sneeuw hebben, zullen de Vlissingers wel duizend woorden voor grijs hebben.’ Station, zeedijk, De Scheldewerf, foto’s van arbeiderswijken, de Machinefabriek. Op de plaats van het geboortehuis, Paardenstraat 18, staan nieuwbouwwoningen. Op de plaats van de Slijkstraat, waar zich ooit het rijtje huizen met Slijkstraat 3 bevond, staat al maanden niets meer. Hoog opgeschoten gras, afval, een bord van een sloopbedrijf. In het beroemde verhaal De kolenboer schetst van Oorschot een onvergetelijk triest beeld van deze straat en bewoners: troepen ongewassen kinderen met rachitisbenen, krotten, stront, verval, dronkaards, smurrie, ontbinding. Daarin overdreef hij, stelt Arjen Fortuin, foto’s uit begin vorige eeuw laten geen luxehuizen zien, maar alles staat netjes overeind. We volgen de wandeling verder: de Gevangentoren, de plaats van de verdwenen Bomvrije Kazerne, de Grote Markt. Daar staat nu, net als honderd jaar geleden, een lagere school. Niet meer de Grote Marktschool of destijds officieel ‘School D’, wel de Frans Naereboutschool. Een prachtig interview uit 1983 met oud-leerling G.A. van Oorschot, leerling van 1915-1919, is te vinden op de website van de school. Klik HIER als je meer wilt weten over die tijd van lei, griffels en griffeldozen. De tijd van buitenspelen, ‘buut met de blikken bus’, knikkeren, tollen en klakkeren. Het voorrecht om de kolenkit te mogen vullen. Ook de foto’s bij dit interview geven een mooi tijdsbeeld. (kijk bij het onderwerp geschiedenis)

Wat maakte Geert van Oorschot nu precies mee, hoe was de werkelijkheid, voor zover dat te achterhalen en te beantwoorden is.
Geert van Oorschot was een buitenbeentje. Vader Levinus en moeder Jewanne waren socialisten, anarchisten en wat ‘erger’ was: ze waren niet gelovig. In het begin van hun huwelijk hadden ze in het bevolkingsregister hun religie (‘RK’ en ’NH’) laten vervangen door ‘geen’. Geert’s vader was politiek actief, met ingezonden stukken strijdbaar tegen gereformeerde lamzakken en huisjesmelkers. Maar ja, de grootvader van Geert was ook een huisjesmelker en dat zorgde thuis voor spanningen. Moeder was een felle vrouw die soms de hele bliksemse boel in mekaar wilde trappen en er vandoor wilde gaan. Een vrouw van verzet, actie. Vader wilde zijn tegenstanders van repliek dienen, een hooivork is geen argument, zegt hij. Hij wordt raadslid en is begaan met kwesties als armenzorg en volkshuisvesting. Later wordt hij wethouder (SDAP) en loco-burgemeester. Over de felheid van moeder is te lezen in Mijn tante Coleta, ze zet de raadszaal op z’n kop door zich letterlijk op haar tegenstander Laernoes te storten. Een veroordeling wegens ordeverstoring volgt: 100 gulden boete of 10 dagen zitten. Geert zat altijd tussen deze twee partijen in, wilde het met moeder eens zijn maar vond dat vader gelijk had, of andersom.
Interessant in Krulhaar-Steilhaar is de beschrijving van de periode dat Geert, als protégé van burgemeester C.A. van Woelderen, samen met nog zo’n twintig arme kinderen, de zomers mag doorbrengen op Kasteel Westhove. Hij viel op, was afwijkend, ijverig en voorkomend. Dankzij de socialistische toneelvereniging had hij al kennis gemaakt met Multatuli en Heijermans. ‘Ik groeide op in een huis vol boeken’ zei van Oorschot in zijn dankrede toen hij in 1986 een eredoctoraat kreeg voor zijn verdiensten als uitgever. Deze boeken leerden hem hoe een schrijver zich te weer kon stellen tegen het onrecht in de wereld. Op veertienjarige leeftijd werd Geert lid van de Jeugdbond voor Onthouding. Drankgebruik kwam veel voor bij de armere, ongeschoolde Schelde-werknemers, hun kinderen zouden het ideaal van geheelonthouding in het gezin kunnen brengen, hoopte deze organisatie. De activiteiten waren te vergelijken met wat de scouting nu doet: veel buitenlucht, sport, veel jeugdkampen, veel vrienden. De wereld van Geert werd groter, zijn zelfvertrouwen ook. Hij werd een gangmaker, ad rem, humoristisch, optimistisch en zette zijn clubgenoten aan tot actie. Zelf werd hij ook actief buiten Zeeland. In het tijdschrift van de bond, De Jonge Onthouder, schreef hij onder het pseudoniem Krullebol-Steilhaar.
Actie was in het leven van Geert van Oorschot ook: verkopen. In een mooi artikel voor het tijdschrift legt hij uit hoe je dat aanpakt, iets verkopen. Colporteren, dat kunnen we allemaal. Het is soms gewoon een kwestie van aanbellen… Arjen Fortuin constateert dat Geert gelukkige tijden heeft gekend in Vlissingen, hij waande zich soms een jonge koning van deze stad, iemand die nergens bang voor hoefde zijn, zelf niet voor de politie. Zijn positie binnen de Jeugdbond voor Onthouding heeft hem mede gevormd. Grappig en veel later, in het verhaal ‘Een causerie,’ keert hij voor een lezing terug naar Vlissingen. Het honorarium dat hij vraagt is: vierentwintig flessen wijn van hoge bedaagde kwaliteit. Geen Albert Heijn wijn tegen de verlaagde prijs van f2,98 per fles.’

Geert koesterde de duinen en het strand, wilde een duinenkind zijn. In Mijn tante Coleta beschrijft hij de liefde voor zijn tante, de ‘zeedijkzigeunerin’ Coleta, slechts vier jaar ouder. De vrouw die altijd naakt de zee in ging, de vrouw met de bruine huid, het zwarte haar, de donkere klank in haar wat hese stem, haar ogen diep en geheimzinnig en lief. Door haar werd hij ingewijd in de liefde: ‘Je moet me vastpakken, zei ze, en lief voor me wezen en je moet me overal aaien. Ze ging languit in het zand liggen en vroeg met haar hese stem naast haar te komen.

Arjen Fortuin besluit zijn lezenswaardige kleine biografie met de conclusie dat de persoon Geert van Oorschot telkens twee kanten heeft, ik citeer vrij:
Een deel dat bij zijn temperamentvolle, onredelijke moeder hoort en een ander deel dat aansluit bij zijn zakelijke, verstandige vader. Zijn liefde voor de zelfgenoegzame allesweter Multatuli en de voorzichtige, twijfelende Nescio. De zelfverzekerde Krullenbol-Steilhaar en de piekerende scholier die liefst in de duinen of aan zee tot rust komt.
De grootste wens, meer nog, een zinderende ambitie van Geert van Oorschot was schrijver te worden. Hij wilde een schrijver zijn met talent voor het oproepen van verstilde schoonheid. Hij kon moeilijk accepteren dat hij hiervoor de gaven miste. In M. Vasalis/Geert van Oorschot Briefwisseling 1951-1987 is te lezen dat Vasalis hem op dit punt ook onverschrokken & rechtstreeks de waarheid zegt, zie haar brief van 22 juli 1973. Van Oorschot, een man van alles of niets, kreeg met veel personen ruzie. Vasalis hield Geert echter binnen de perken, redde zijn uitgeverij. Zijn laatste brief schreef Geert aan Vasalis, twee uur voor zijn overlijden in 1987.

Zijn grootste talent was onmiskenbaar het colporteren, met overtuigingskracht datgene verkopen waarin hij echt geloofde. Vanaf 1945 bouwde hij, als onafhankelijk uitgever, een imposant literair fonds op, dit is uiteindelijk zijn bestemming geweest. Over zijn vasthoudendheid als verkoper van zijn boeken bij de boekhandelaren doen vele anekdotes de ronde.
We kunnen uitzien naar 2012, het jaar waarin de volledige biografie zal verschijnen.

Wat zou Geert van Oorschot, wat zou zijn moeder, wat zou zijn vader als wethouder, gedacht hebben over de situatie in Vlissingen nu? Neem het stadsbeeld. Arjen Fortuin zegt dat heel mooi: ‘Sloop en Vlissingen houden elkaar in een innige omhelzing’. Deze week is in de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC, 18 maart) te lezen: ‘Tegen de beloftes in blijft er niets over van de karakteristieke sociale volkshuisvesting in de Bonedijke. Ook het zuidelijk deel van de Vlissingse wijk, dat zou worden gerenoveerd, gaat tegen de vlakte.’
Welke mening zouden zij hebben over de Vlissingse bibliotheek-perikelen? Kort voor zijn dood schonk Geert van Oorschot de openbare bibliotheek van zijn geboortestad 850 exemplaren van zijn privéboekenbezit. Hij had iets met de bibliotheek, zijn moeder had ook iets met boeken... Wanneer Geert na zijn eindexamen de geleende, merendeel uit de rug hangende boeken op school wil inleveren wordt zij furieus en scheurt alle boeken aan flarden: ‘Niks terugbrengen’… ‘moet zo meteen weer een ander kind zijn lessen leren uit die vieze arremoeiige troep, zei ze.
Momenteel zijn er plannen om de centrale vestiging aan het Spui te sluiten en te investeren in vestigingen in buurthuizen en zorgcentra. Ook verbetering van schoolmediatheken behoort tot het nieuwe, op de toekomst gerichte, beleid. Een uitdagende en ‘stekelige’ kwestie voor de huidige wethouder van Vlissingen, Rob van Dooren. Protesten, ingezonden stukken, kortom volop deining in de badplaats. Niet de boeken worden afgeschreven, het bolwerk verdwijnt: een huis van kennis, een centrale plaats van ontmoeting. Het ijkpunt wankelt. Ik zie de discussie aan tafel bij de van Oorschotten helemaal voor me. De één zegt: ‘Zie je nou wel, wat een miezerige grijze klote-stad, wat een onrechtvaardige toekomst, ik word in mijn ziel geraakt, kom op, we gaan actie voeren!’. De ander zegt: ‘Rustig aan, luister eerst eens naar alle argumenten en dien je vermeende tegenstander daarna van repliek, stuur een mailtje naar de bieb of naar de krant!’ De derde zal zeggen: ‘Colporteren die handel, het is een goed idee, dat gaan we huis-aan-huis verkopen, gewoon aanbellen! Want, eindelijk, het werd tijd ook, kunnen er dan in elke wijk, voor rijk en arm, boeken te leen zijn. Kinderen kunnen dan al heel jong leren dat ze mogen dromen, ook over een Vlissingen in de toekomst. Digitale informatie en boeken voor kinderen met allerlei kleuren, voor kinderen met lang haar en kort haar, met Krulhaar en Steilhaar!’

Tip: wees er heel snel bij wanneer je dit prachtige boekje wilt kopen, de oplage is klein, slechts 500 exemplaren, zo uitverkocht! Bestellen kan via de site van CBK Zeeland.

Leestip: 'Nooit is er een kind zo in het paradijs geweest' schrijft Geert van Oorschot in oktober 1986 aan M. Vasalis. Hij vertelt in deze brief over de vioollessen die hij vanaf zijn negende jaar volgde bij de roemruchte Onno Borgman. Mooi verhaal! Zie de Briefwisseling 1951-1987, p.224-227.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen