dinsdag 11 januari 2011

Henri Looymans, stadsdichter, zou jij mijn woorden willen zijn?

‘Zou jij mijn woorden willen zijn?’ Dit verzoek en tevens deze opdracht heeft Henri Looymans aanvaard, vanaf januari 2011 is hij de nieuwe stadsdichter van Middelburg. Voor hij werd geïntroduceerd tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van de gemeente Middelburg in wijkcentrum Palet, zaterdag 8 januari, werd eerst officieel afscheid genomen van Joop Buma die twee jaar stadsdichter was, in 2009 en 2010. Wethouder van Cultuur Ed de Graaf citeerde uit diverse gedichten verschillende strofen waarin Joop Buma zijn liefde voor de stad ‘ondubbelzinnig’ verwoordde of zoals hij dit noemde, hoe Joop 'de liefde bedreef' met de stad. Een wethouder die dezelfde passie heeft voor de stad, in elk geval alles weet over de wonderlijke huisnamen van Middelburg, van 't Land van Belofte, Arcadië tot De Veldroos en De Korenbloem.
Al eerder was er een afscheidreceptie voor Joop (Johannes Herman) Buma, de dichter die zijn rol altijd met plezier vervulde en zó graag had willen doorgaan in deze funktie. Een stadsdichter wordt echter in principe voor één jaar benoemd, verlenging met een jaar is mogelijk maar dan is de 'rol' uitgespeeld.

In Galerie T las Joop Buma het gedicht van de maand december voor:

Afscheid van een Stadsdichter

(In seinen Armen das Kind war tot (Goethe))

Hij had in de ruimte van de stad geroepen,
de in vorm gegoten woorden rond gestrooid.

Zelfverzekerd ten tonele gekomen de
oude dichter, behoed nar van de stad,
deelde er wandelend zijn verzen uit
naar de traditie van rederijkers eeuwen
her met toehoorders, kijkers.

En voor het gekomen publiek wilde hij in
het midden van de Burg zijn laatste gedicht
als een soort eigen kind hier tonen.

Droevig bij het zwijgend luisteren
van hen daar voor zich haalde hij
het tevoorschijn in het licht.

Met z’n allen brachten zij een staande ovatie:
“Nog eens, bis bis bis”, riep toen iedereen.

Slechts zij die het dichts bij stonden merkten
dat het kind aan zijn lippen gestorven was.
December 2010

De nieuwe stadsdichter Henri Looymans (1956) heeft Tilburg als bakermat. Hij studeerde Nederlands in zijn geboortestad en Mediëvistiek in Nijmegen. Na een korte periode in het onderwijs is hij sedert twintig jaar werkzaam in de zakelijke dienstverlening waarvan de laatste jaren als zelfstandig verandermanager. Hij woont al 25 jaar in Middelburg. “Ik ben verliefd geworden op de stad”, vertelde hij. Tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst mocht hij zijn debuut als stadsdichter meteen maken, hij verklaarde zijn liefde aldus:

Middelburg

Ik kan als ik wil op de wereld verblijven
Op iedere plek kan ik vreemdeling zijn
Maar waar ik ook ben en weer stellig verdwijn
Steeds roept mij die stad waar ik mij kan schrijven

Daar spreken de gevels en zwijgen de luiken
De kerk klimt er boven de daken uit
En als zaterdagnacht de kroegen sluit*
Dan kan je op zondag de schepping nog ruiken

Die stad roert mijn hart in wat het verlangt
Ik wandel haar straten zij vult mijn gezicht
Zij voert er mijn hand en ik schrijf haar gedicht
In een mantel van eeuwen die om mij hangt

Dit is mijn huis, de stad die mij ziet
Hier heb ik lief, en meer hoef ik niet.

In 2005 publiceerde Henri Looymans zijn eerste bundel “Zou jij mijn woorden willen zijn?” Een goed verzorgde uitgave met een prachtige omslag. Een vormvaste dichter die wat hij zeggen wil het liefst binnen klassieke vormen neerzet. De bundel bevat een grote variatie aan gedichten, de liefde wordt gezocht, gevonden en soms ook verloren. Een aanrader voor iedereen die kennis wil maken met de nieuwe stadsdichter!

Ik citeer de laatste 5 regels uit het gedicht 'Mijn Lief'
Zou jij mijn woorden willen zijn
Opdat ik niets meer hoef te zeggen
Niets bewijzen niets weerleggen
Enkel schutten
Enkel zijn.

In mei verschijnt er een nieuw dichtbundel, daarin zal Zeeland, zijn tweede land van belofte, een prominente rol spelen. In ‘Zou jij mijn woorden willen zijn?’ is de liefde voor Zeeland, hier enkel hier, al aanwezig. Ik hoop dat dit gedicht, een ode aan de winter in Zeeland, ook in de volgende bundel opgenomen wordt:

Omnes Zeelandiae loci (1):
Hibernum

voor Marsman

Hier overlands langs de duinen te zwenken
De velden ze wenken
Ze reiken tot mij in mijn Zeeuws schilderij:

Pikkende zwermen op slapende akkers
Met linksom en rechtsom het broedende water
De schorren waarin je de hemel ziet drijven
En slakende meeuwen als kijvende wijven

(Ze klinken naar later ze hoeden de trekkers in
grijskoude klei)

En robuust als de wallen van Jericho
Schutten de dijken de armen de rijken
Ze wachten de zee:

Torens als bakens en
Dorpen als vlaaien en
Boeren als goden die
Ploegen en zaaien

Hier enkel hier
In dit land zonder grenzen
Dit groen en godswonderlijk wiegenkleed
Hier draagt de aarde haar zondagsgewaden
En sluiert de nevel
Mijn sluimerend zilte
Mijn winters verstilde
Mijn Zeeuwse land

Voor Henri Looymans 'geen dier'der plek voor ons op aard' dan Zeeland, waar de stad waar hij kan schrijven hem nu heeft geroepen. ‘Zou jij mijn woorden willen zijn?’ Over de markt heeft hij al een gedicht geschreven... een plek waar het hart van de stad klopt en er met liefde volop handel wordt gedreven? We zijn benieuwd hoe hij verslag zal doen van deze spannende en hoopvolle relatie.
*de kroegen sluit - lijkt wellicht vreemd, staat letterlijk op de tekst die op 8-01 werd uitgedeeld.
P.S. het laatste nieuws vandaag is dat de stadsdichter wordt weg-bezuinigd. Oei, nu al liefdesverdriet, welk gedicht gaat dit opleveren?

zaterdag 8 januari 2011

Reynier de Muynck : ons houvast heet landschap


Begin november mocht ik, tijdens de open atelierdagen, een kijkje nemen in het kunstenaarsleven van de Goese kunstschilder Reynier de Muynck. Al bij aankomst, welkom geheten door een schilder die Zeeuwse knopjes als sieraad draagt, voelde ik mij direct thuis. Nu, twee maanden later, wil ik alsnog iets over deze veelzijdige Zeeuwse kunstenaar vertellen.
Maar eerst: op de site van Reynier de Muynck is een prima overzicht te vinden van zijn werk, ook het boek “Op Goese Gronden” kan ik iedereen aanraden. Deze publicatie geeft een uitgebreid portret van het leven en werk van Reynier en bevat veel mooie afbeeldingen van zijn schilderijen. Zijn leven en werk zit vol met contrasten, dit gevarieerde landschap is bijzonder boeiend. Wil je kennismaken met de persoon van de kunstenaar, kijk dan even naar het korte interview op Omroep Zeeland, uitgezonden op 5 november 2010.
Hij doet wat hij doet, omdat hij niet anders kan, omdat ie vindt dat het zo moet, dat hij moet schilderen zoals ie schildert’. Hij schildert altijd, deze gedrevenheid deelt hij met de andere Zeeuwse kunstenaar Johnny Beerens.
Reynier de Muynck , in 1952 geboren in Middelburg, groeit op in Goes in een artistiek en vooruitstrevend milieu. Al vroeg tekent hij zo levensecht mogelijk maar vult de werkelijkheid aan met zijn eigen fantasie. Puber in de tijd van de provobeweging: hij zet zich af tegen van alles en nog wat. Deze rebelse kant kan ook gezien worden als een strijd voor acceptatie en waardering. Blote vrouwen schilderen, op blote voeten door de stad lopen, lang haar, in de duinen slapen. Zijn eerste tentoonstelling in Kortgene (1971) bevat schilderijen die aan het werk van Jeroen Bosch doen denken. Na een periode India wordt zijn werk beïnvloed door de wereld van Oosterse mystiek, spiritualiteit en filosofie. Geestverruimende middelen prikkelen de zintuigen en hij schildert zijn dromen en hallucinaties van zich af. Met de fijne penseel tot op de milimeter geschilderd.

Na 1984 volgt de periode van de grote draperieën. Hiervoor al schilderde hij jassen die aan het werk van Jopie Huisman doen denken. Nu echter worden oude kleren afgeworpen. Zelf zegt hij over deze periode dat hij zijn collectief geheugen inruilt voor een persoonlijk geheugen. Niet meer de weergave van mystieke ervaringen, nu het ‘covered-uncovered’. Lappen stof die, als het doek in een theater, het toneel erachter slechts laten raden. Een ascetische wereld. Zijn werk wordt monumentaler en wereldser.
De fresco’s zijn weer een ander verhaal. Fijn geschilderd, idyllisch. Een verloren Arcadia, het heimwee van een romanticus naar de Romeinse en Griekse wereld, de klassieke fantasieën.
Beroemd uit deze periode is het portret van Hans Warren, in opdracht van uitgeverij Bert Bakker gemaakt. Gevoelig en toch ook omgeven door een bepaalde onrust.
Hans Warren schrijft daarover op 24 september 1986 in zijn Geheim Dagboek:
Vanmiddag zijn we even bij Reynier de Muynck geweest om te zien hoe het portret vordert dat hij van me maakt. Ik kijk schuin omhoog met veel te brandende ogen, m’n neus wipt op het schilderij een beetje en in mijn oor lijkt een kleine vulva te zitten. Mijn schedel vertoont een vreemde afplatting, als was ik familie van Echnaton. Rondom me is een wonderlijk landschap: een Griekse tempel achter me, voor me verwaaide Italiaanse pijnbomen, een dreigende wolk”

De veelzijdigheid van Reynier de Muynck is onvoorstelbaar. Je kunt via zijn bescheiden site kennismaken met de muurschilderingen, gewoon doen! De schildering op het plafond van Theater De Wegwijzer in Nieuw en St. Joosland is in Zeeland heel bekend. Vervolgens de geschilderde reliëfs, deze tonen de beeldtaal van bekende en onbekende culturen. Magisch-realistische doeken maar ook een schilderij van een enkele tulp. Stillevens van bloemen, portretten, het interieur van zijn atelier. Fascinerend blijven altijd weer zijn de afbeeldingen van jassen en andere kleding. Hij ziet hoe het licht gedurende de dag van toon verandert. De schemer is het tijdstip dat de blauwe schaduwen ontstaan. En, in 2010 ineens een hype, de Zeeuwse knoppen zijn echter al jarenlang een schilderonderwerp van Reynier de Muynck.

Na 2002, wanneer een periode van ziek zijn wordt afgesloten, schoongewassen en leeg door de chemo, lijkt het innerlijke landschap te zijn veranderd. In een interview zegt hij: ‘Er kwam een soort lichtheid over me heen. Ineens zag ik het nut niet meer van het schilderen van blote meiden. 'Zelf stil en rustig geworden' volgt er later een periode waarin twee thema's centraal staan: de natuur en toch weer de vrouw. In die twee pure vormen komt de schoonheid van de schepping tot zijn volste recht, vindt Reinier. Het is mooi om te zien hoe Reynier de Muynck in 2010, na een tijd stillevens te hebben 'gedaan', weer een andere weg is ingeslagen met het Zeeuwse landschap als inspiratiebron; de rust, de leegte en de stilte. Gefascineerd door de rechte lijnen. De kaarsrechte banen, zoals koolzaadvelden, die door het landschap lopen, knalgeel en bijna lichtgevend. Ook is hij op zoek naar andere composities, hij gooit de horizon naar boven omdat het ook gaat om het vlas of het graan. Dijkjes met daarachter het Veerse Meer en de zeilen die door het landschap varen.

Zoveel wegen begaan, zoveel reizen gemaakt en dan 'stilstaan' in het Zeeuwse landschap. Overal houvast gezocht en gevonden en nu hier. Steeds weer komen wij thuis.


In 2007 kwam ik dit landschap tegen. Achter het dijkje ligt het Veerse Meer. De horizon naar boven, niet helemaal recht maar het gaat mij toch om de lijnen. Het deed mij denken aan de schilderijen van Antoine Mes. Nu ook aan Reynier de Muynck en aan een gedicht over houvast en landschap.
De dromende schapen vullen het landschap met zachtheid en rust.



Johanna Kruit schreef het volgende gedicht, te vinden in de bundel ‘Voorheen te Orisande’. Het gedicht ‘Woonplaats’ is ook als ansichtkaart uitgegeven door Plint, het beeld is van Dick van Arkel en heeft als titel ‘Watersporen’.

Woonplaats

Ons houvast heet landschap. Wij planten
de dagen vol bomen en dromen van dijken
en duinen die als we stranden nog lijken
op wat we bewaren. Wij sparen gedachten

en spannen steeds samen. Het noemen
van namen als vogel of wind overbodig
voor wie zal beamen dat alles wat nodig
is staat waar het hoort. Zoemen van

camera’s blijft achterwege. Wij zeven
de kleuren, belichten de tijd die te ver
voor geluid als een stralende ster
op ons afkomt. Het aldus verkregen

gebied dat we opslaan is houvast.
steeds weer komen wij thuis.

afbeelding atelier en schilderij Rondje Veersemeer Polder, 2010 + Blauwe draperie, 1992 (met toestemming van Reynier de Muynck).
foto schapen in landschap: Anke Nijsse, 2007
ansichtkaart van Plint, de tekst valt helaas nogal weg bij het scannen. De verfspatten horen wel bij het landschap!

dinsdag 4 januari 2011

Leestip: Een minuut stilte / Siegfried Lenz

Een van de mooiste boeken van 2010 is de novelle ‘Een minuut stilte’ van Siegfried Lenz. Een buitengewoon integere, bijna poëtische vertelling over de tedere liefdesrelatie tussen de achttienjarige gymnasiast Christian en zijn jonge lerares Engels, Stella Petersen. Met groot vakmanschap geschreven, weemoedig, beheerst, pretentieloos, rustig als een kalm golvende zee. Eind jaren vijftig. Benny Goodman en Ray Charles zijn nog in de mode evenals hooggesloten badpakken en Volkswagen Kevers. Toch: een preutse tijd en een liefde die bijna niet anders kon dan verzwegen worden. Al op de eerste bladzijde wordt duidelijk dat Stella dood is. Een herdenkingsbijeenkomst vindt plaats, er wordt sproken en gezongen. Tijdens een minuut stilte dwalen de gedachten van Christian af en komt het besef van verlies: het verlorene te bezitten. In het zwijgen hoorde hij het slaan van de roeispanen, hoe ze de zee opgingen naar het Vogeleiland, naar de hut van de oude vogelwachter… hoe vrolijk ze was, dat ze altijd om alles kon lachen....

In deze novelle is Christian de verteller. Afwisselend aan Stella en aan de lezer vertelt hij over het begin van hun geheime liefde, tijdens die warme zomer in het fictieve kleine havenstadje Hirtshafen aan de Oostzee. Zomergasten, zomerhitte, zonnebloemen en zandkastelen. Ze zwemmen en duiken vaak. Zij leest Faulkners 'Light in August' op het strand. Cola en rum-cola in het strandcafé. Een warme sfeer die, vreemd genoeg, niet klef of broeierig aanvoelt.
De woorden, de gebaren, de toevallige ontmoetingen en aanrakingen. ‘Je huid glimlacht echt’ zei Stella. ‘Haar blik ontweek de mijne niet. Ik had het gevoel dat haar blik mijn verlangen beantwoordde of dat er een zachte uitnodiging in lag: ik deed haar badpak uit en ze liet het gebeuren, ze hielp me, daar in de laagte bij de dennen beminden we elkaar.’ De erotische passages zijn 'nogal voorzichtig' neergezet, ze delen het hoofkussen. De auteur is in Duitsland geprezen om de 'retro-charme' van zijn seksscènes. Anderen noemen dit dan weer een gebrek aan fantasie.
De novelle is mooi gecomponeerd: een raamvertelling met de herdenkingsbijeenkomst als uitgangspunt en ingebouwde flashbacks. Veel symboliek en thema’s ‘golven’ door het verhaal: de stenen van de zee, de sprookjesachtige schoonheid van de zeemeermin, de golven, de wilskracht van de oudere man. De naam van de boot ‘Polarstern’, liedteksten als ‘I’ve Got You Under My Skin’, niets staat er zomaar! Kan door huid heen, deze liefde. Later schrijnt het zout op de huid in de wonden van de ziel, de eerste zin geeft het al aan: “Wir setzen uns mit Tränen nieder”.
Op de laatste ansichtkaart, van een dolfijn die overmoedig uit het water schiet en, kennelijk bewust, op een golf terecht wil komen, schrijft Stella: ‘Love, Christian, is a warm bearing wave’. Voor Christian is deze tekst een bekentenis, een belofte en mogelijk een antwoord. Dat in dit verhaal de golven echter ook genadeloos het noodlot laten toeslaan is een vaststaand feit. Wanneer haar zeilboot tijdens een storm vastloopt op de havendam en Stella zwaar gewond raakt, bevestigt dit wat de lezer al vermoedde: deze liefde was onmogelijk en had geen toekomst.
Opmerkelijk is dat Siegfried Lenz (1926), al boven de tachtig is wanneer deze novelle in 2008 in Duitsland onder de titel 'Schweigeminute' verschijnt. Er zijn inmiddels meer dan 150.000 exemplaren van verkocht. Dit is een hoopgevende gedachte voor auteurs die nog veel te ‘vertellen’ hebben. Voor scholieren is het zeker een aardig boek voor de lijst. Het leest gemakkelijk en er blijven genoeg vragen onbeantwoord. Was deze liefde nu echt zo onmogelijk? Zo groot was het leeftijdsverschil toch niet? Het thema, liefde tussen leerlingen en docenten, onmogelijke liefde en de beperkte houdbaarheid van volmaakt geluk blijft natuurlijk altijd actueel en sprak mij wel aan want… Vroeger! Twee academies gevolgd en veel leraren gezien. Het gebeurde ook daar, platonische of onmogelijke andere liefdes. Waar niet? Zelfs na tientallen jaren stilte veroorzaken herinneringen aan deze gebeurtenissen heel zacht kabbelende golfjes van weemoed, een zoet verlangen dat nooit wegebt.

woensdag 29 december 2010

Grote Wolf & Kleine Wolf : het geluk, dat maar niet van de boom wilde vallen / Nadine Brun-Cosme


Op een morgen stond Grote Wolf op,
hij rekte en strekte zich, en zei:
‘Ik doe het!’
Zomaar. Vanuit het niets.
Alleen maar om de oogjes van Kleine Wolf te zien oplichten
.

Waarom is het mooi om onverwacht iets voor een ander te doen? Het antwoord op deze vraag vinden kinderen vanaf ca. 4 jaar in het sfeervolle prentenboek Grote Wolf & Kleine Wolf : het geluk, dat maar niet van de boom wilde vallen. Deze titel is heel vrij uit het Frans vertaald, de originele titel is: Grand Loup & Petit Loup : la petite feuille qui ne tombait pas. De Nederlandse uitgever zet met deze vertaling nadrukkelijk in op de filosofische strekking van het verhaal.
Kleine Wolf ziet in de lente een mals, sappig lichtgroen blaadje hoog in een boom hangen. Hij vraagt Grote Wolf dit voor hem te pakken, hij wil het opeten. Nog even geduld, zegt Grote Wolf, binnenkort, als de tijd rijp is, valt het vanzelf wel naar beneden. In de zomer is het blaadje wonderlijk glanzend groen. Kleine Wolf droomt dat het blaadje een spiegel is waar hij zichzelf in kan bekijken. Beetje vergezocht maar in dromen kan alles...
In de herfst lijkt het bruine blaadje zo warm en zacht dat Kleine Wolf het liefst zijn snuit ertegenaan zou wrijven. In de winter is het blaadje zwart als kool maar blijft het, als een onbereikbaar geluk voor Kleine Wolf, in de boom hangen. Tot het moment aanbreekt dat Grote Wolf zegt: 'IK DOE HET!' Zomaar. Vanuit het niets. Om de oogjes van Kleine Wolf te zien oplichten, om de glimlach. Een gevaarlijke klimpartij in de besneeuwde boom volgt. Wanneer Grote Wolf het blaadje aanraakt valt het uiteen in duizend stukjes die als een sterrenregen op Kleine Wolf neerdalen evenals het besef: het was de moeite waard, ik ben de moeite waard, Grote Wolf deed het voor mij. En ook Grote Wolf weet het, ja, het was zeker de moeite waard geweest. Wat een liefdevolle relatie wordt hier neergezet!
Zomaar iets doen om een ander plezier te doen is een heerlijk thema om met kinderen over te filosoferen. Waarom geef je een ander iets, om zelf aardig gevonden te worden of juist om iemand die jij aardig vindt een plezier te doen? Ook volwassenen stellen zich deze vraag bijna dagelijks.
Dit mooie prentenboek is een vervolg op Kleine Wolf & Grote Wolf, dat in 2010 door de Griffeljury werd bekroond met een Vlag en Wimpel. De paginagrote, kleurrijke, geschilderde en soms met potlood ingekleurde prenten van Olivier Tallec volgen lente, zomer en herfst. Toch is het vooral een warm winterboek, het merendeel van de prenten verbeeldt de avonturen in het witte landschap en in de besneeuwde en gladde boom. En het blijft maar sneeuwen, al is op de laatste bladzijde de klus geklaard en het weer opgeklaard. Tevreden overpeinzingen onder een heldere sterrenhemel, hoewel, het lijkt erop dat Kleine Wolf nu volledig door de maan geboeid wordt...
Een prentenboek met een aantrekkelijke omslag en mooie vormgeving om keer op keer te bekijken.
En lezers: DOE HET! Zomaar. Vanuit het niets. Doe het! Koop eens een mooi boek en geef dit iemand cadeau. Alleen maar om de glimlach en de sterretjes in de ogen van die ander. Zomaar!
Wie weet wordt 2011 dan een gelukkig jaar met veel mooie bladzijden om te lezen en kleurige blaadjes om elke dag te plukken.

woensdag 22 december 2010

Kerst: Kathedralen, ook van windmolens en wietplanten

Enkele jaren terug las ik in de filosofische roman Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier een tekst die mij nu met Kerst weer, of nog steeds, aan het denken zet.
"Ik wil niet in een wereld zonder kathedralen leven. Ik heb hun schoonheid en verhevenheid nodig. Ik heb ze nodig als verzet tegen de platvloersheid van de wereld. Ik wil opkijken naar de stralende kerkramen en me laten verblinden door hun bovenaardse kleuren. Ik heb hun glans nodig… de koele stilte die er heerst, het gebiedende zwijgen… ik wil de machtige woorden van de bijbel lezen. Ik heb de magische kracht van hun poëzie nodig... maar evenzeer heb ik vrijheid nodig… en laat niemand het in zijn hoofd halen mij te dwingen tot een keuze". (uit de brief van Amadeu de Prado, vanaf p. 163).
Ook wanneer je niet gelovig bent of agnost zie je om je heen de voorbereidingen voor Kerst en wil je delen in een gevoel van saamhorigheid. Gregoriaanse muziek is welkom. Een kerstboom en kaarsjes spreken vanzelf. Licht in de duisternis. Harpmuziek. Ave Maria, In Dulci Jubilo, Magnificat. Er is bij iedereen behoefte aan een schuilplaats, een toevluchtsoord. Soms concreet in de vorm van een gebouw of een thuis met of zonder familie maar het kan evengoed een houvast zijn op religieus of spiritueel gebied. Er is bij velen onzekerheid. Het motto of de bede van de huidige tentoonstelling van Machteld van der Wijst in de Zeeuwse Bibliotheek is: Zeg mij hoe te leven : aangaande existentiële twijfel in tijden van chaos en wanhoop. En eerlijk gezegd, ik heb geen enkel antwoord, ik ga maar en ben. De Kerstviering vond plaats in het souterrain, naast deze tentoonstelling. Samen, tapas, rode rozen, blauwgroene stoeltjes, gitaarmuziek, kaarslicht, gele bankjes tegen zwarte wanden. Niet iedereen was er.
Het lijkt misschien vreemd maar terugkijkend op 2010 denk ik aan de voorstelling van de Man van la Mancha en aan Don Quichot die wilde vechten tegen windmolens omdat hij dacht dat het reuzen waren. Nee, reuzen kun je niet verslaan, if you cannot beat them you must join them is een veel beter idee. Moderne windmolens kunnen best mooi zijn, daar kunnen we iets mee. Met een goede choreografie kan op een aansprekende manier bijgedragen worden aan ruimtelijke ordening en land-art. Windwouden in het landschap, aan de Zeeuwse kust, waarom niet? En voor de spirituele zoektocht naar ordening: waarom dan ook geen kathedraal ontwerpen van windmolens? Marinus Boezem geeft ons in het Zeeuwse Kunsttijdschrift Decreet 04, (2010) prachtige tekeningen van een Windenergiekathedraal. Boezem behoort tot de eerste generatie conceptuele kunstenaars en maakt gebruik van het weer, het water en de wind. Het meest bekend van hem is de Groene Kathedraal in Flevoland. Eerder dit jaar was in de Vleeshal in Middelburg te zien hoe hij de plattegrond van de basiliek van Assisi in vogelvoer had uitgelegd, twintig witte duiven mochten deze plattegrond opeten, omhoogtillen en ‘naar het licht brengen’. Ook hier bood deze kathedraal mij het gevoel van opgenomen worden, een schuilplaats, een toevluchtsoord waar je je verbonden weet met dierbaren en familie. Toch zal iedereen dit weer anders ervaren, dat mag kunst toch teweegbrengen?
De concepten voor een Windenergiekathedraal zijn al in 2008 gemaakt. In een interview geeft Marinus Boezem aan zelf geen freak van kerken te zijn. Maar kathedralen bieden hem wel een denkkader waarbinnen nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. Universeel ook: vanuit een gevoel van solidariteit met de hele wereld leiden voortdurende experimenten naar een nieuw soort kunstenaarschap. Sterker nog, er zijn plannen om met behulp van mogelijkheden van de ruimtevaart ook op zoek te gaan naar toepassing van nieuwe concepten binnen een ‘ander heelal’. De toppen van de Mont-Blanc raken de sterrenhemel. Boeiend om deze concepten te blijven volgen, kunst over hogere sferen verruimt de horizon.
Spirituele ideeën komen ook van de dochter van de kunstenaar: het zou ultiem geestverruimend zijn wanneer er een kathedraal gebouwd zou kunnen worden van wietplanten… Er is onlangs iemand opgepakt die de kerstverlichting in een wietplant had opgehangen, hij vond het zelf een mooi idee, ook dit het concept geeft in ieder geval stof tot nadenken.
Bij mij in de tuin… wie wind zaait zal storm oogsten? Vergeet het maar! De reuzenplanten hebben de kerst helemaal niet gehaald. Misschien dat via de toppen wel mooie vluchten zijn gemaakt, sterrenhemels zijn bereikt en hemels zijn bestormd? Bekenden of onbekenden hebben in elk geval het licht gezien, de schuilplaats en de schoonheid van de planten ontdekt. Dus, op een stille nacht, jawel… op een heel donkere stille nacht kwamen er (on)wijzen uit het westen of oosten en die wisten wel van oogsten af. We hebben er vrede mee! Twijfel ik als agnost toch al aan alles, zelfs de reikwijdte van het gedoogbeleid in de tuin is een onzeker terrein, niet iedereen vond deze planten een goed idee.
Mijn oogst bestond uit een prachtige ‘coole’ blauwe schaar die op de tegels achtergelaten was tussen platgetrapte takken en bladeren en mij deed denken aan de concepten van de windenergiekathedraal. Een nieuw idee is ter plekke geboren: volgend jaar met Pasen kan ik de schaar gebruiken. Een plattegrond van een kathedraal uitleggen met tuinkerszaadjes is voor iedereen het proberen waard. Overzichtelijk ook, na zeven dagen kan de oogst geknipt worden.
Lucebert dichtte: 'er is alles in de wereld, het is alles'. De kunst van het leven is dat we ons hier niet bij neer moeten leggen, het is niet altijd alles, we gaan gewoon verder.
Ik wens mijn lezers een energievol 2011 toe, dat je zult vinden wat je zoekt, dat je zult oogsten wat je zaait en dat het je vooral voor de wind mag gaan.

cop. Marinus Boezem, 2008

woensdag 15 december 2010

'Het Boek van de Koningen' en de kunst van Ferdowsi's Shahnameh

In het Fitzwilliam Museum in Cambridge is een interessante tentoonstelling te zien voor wie van kleurrijke manuscripten houdt: Epic of the Persian Kings: The art of Ferdowsi’s Shahnameh. Je kunt ook thuis, via de website van het museum naar de Virtual Gallery gaan, de meer dan honderd afbeeldingen bekijken en de uitleg daarbij lezen. Ook wanneer je weinig weet van de geschiedenis van Perzië of Iran is het bekijken van de manuscripten of boekminiaturen de moeite waard. De esthetische waarde, de compositie en het kleurgebruik is heel bijzonder, het is echt genieten!
Deze belangrijke tentoonstelling verkent het monumentale artistieke legaat van een van de grootste literaire heldendichten ter wereld: het duizend jaar oude Perzische boek: Shahnameh: the Persian Book of Kings. In Europa minder bekend maar lezers van De Vliegeraar van Khaled Hosseini kwamen dit boek al tegen in het volgende citaat op bladzijde 29/30.
‘Na school kwamen Hassan en ik bij elkaar, we graaiden een boek mee en draafden een komvormige heuvel op, even ten noorden van mijn vaders landgoed…bij de ingang stond een granaatappelboom…op een zomerdag kerfde ik met een van Hassans keukenmessen onze namen in de stam: ‘Amir en Hassan, de sultans van Kabul.’ Na school klommen Hassan en ik over de takken en pikten de bloedrode granaatappels. Als we de vruchten op hadden en onze handen aan het gras hadden afgeveegd, las ik Hassan voor…verhalen die hij zelf niet kon lezen…ik las hem gedichten en verhalen voor...Hassan was vooral verslingerd aan de Shahnameh, een heldendicht uit de tiende eeuw over Perzische helden uit een ver verleden. Hij hield van alle hoofdstukken, de oude shahs, Feridoun, Zal en Rubadeh. Maar zijn lievelingsverhaal, en het mijne, was ‘Rostam en Sohrab’, de geschiedenis van de grote krijger Rostam en zijn gezwinde paard Rakhsh.’
De Shahnameh wordt gerekend tot de grootste literaire werken ter wereld. Als een venster op de wereld bevindt dit epos zich in het gezelschap van Dante’s Goddelijke Komedie en de Mahabharata van India, de stukken van Shakespeare en de heldendichten van Homerus: klassiekers die hele culturen in beeld brengen.
De dichter Abolqasem Ferdowsi (940 -1020) schreef zijn wonderbaarlijke vertelling "Het Boek van de Koningen" oorspronkelijk voor de voorvechters van de herleving van Perzische culturele
tradities na de Arabische overwinning. In 'Een karavaan uit Perzië : klassieke Perzische poëzie’ (Amsterdam, uitgeverij Bulaaq, 2002) wordt de ontstaansgeschiedenis toegelicht.
De Shahnameh, geschreven tussen 980 en 1010, is met zijn 50.000 dubbelverzen* wellicht het langste gedicht dat een Perzische dichter ooit heeft geschreven. Het vertelt het verhaal van het pre-islamitische Iran, beginnend in de mythische tijd van de schepping en voortgaand tot de Arabische invasie van de zevende eeuw. Het geheel is een mengeling van mythen, legenden en geromantiseerde geschiedenis. De omvang en psychologische diepte van het epos wordt als magnifiek geprezen; onvergetelijke momenten van nationale triomf en falen, menselijke moed en wreedheid, gelukzalige liefde en bittere smart. Een wereld van draken en slangen, wachters en koningen, gevechten en romantische taferelen, paarden en monsters, paleizen en lusthoven, list en bedrog.
Duizend jaar na de voltooiing van dit epos biedt het Fitzwilliam Museum een mooi eerbetoon aan Ferdowsi. De tentoonstelling brengt bijna honderd afbeeldingen uit overvloedig geillustreerde manuscripten die een tijdsspanne van 800 jaar overbruggen. Manuscripten uit het British Museum, the British Library en allerlei andere musea en private collections laten een artistieke traditie zien die in de westerse wereld redelijk onbekend is. Wonderbaarlijk, kleurrijk, fascinerend tot in de details. Op de site van het museum is uitvoerige informatie te vinden over Ferdowsi en over de structuur en thema’s van de Shahnameh.
Wat spreekt mij nu zo aan in de afbeeldingen? De kracht, vitaliteit, overdaad aan details. De bedoeling van de tekenaars om de toeschouwer te laten genieten en te verrijken. De sprookjesachtige schoonheid, de oosterse sfeer.
De kleuren-harmonie, de geometrische patronen, de stofversiering, de architectonische decoraties en details, natuurmotieven en het 'vreemde' perspectief. De gekalligrafeerde teksten, het ambacht en het vakmanschap. Het is geen weergave van wat optisch wordt waargenomen. Het is meer een zintuiglijke methode van voorstelling: de kunstenaar proeft de geuren van de verhalen, ziet de geluiden in zijn verbeelding, loopt om zijn onderwerp heen, raakt het aan en voelt aan hoe de compositie decoratief neergezet kan worden. De miniaturen worden uit fragmenten opgebouwd. Kortom: de kunstenaar schildert wat hij weet en niet zozeer wat hij ziet.
Men kan zich natuurlijk ook verdiepen in de symbolische en historische waarde van de afbeeldingen. Al aan het eind van de veertiende eeuw waren geïllustreerde manuscripten en boekillustraties toonaangevend in de Perzische kunst en zeer geliefd bij de shahs. Het boek werd een totaalkunstwerk, waarin tekst, ornament en afbeelding onverbrekelijk met elkaar waren verbonden. Heel graag zou je even willen bladeren in deze manuscripten maar...
Het bezoeken van de tentoonstelling, virtueel of in het echt, is een kleurrijke ervaring waar je in de donkere dagen voor Kerst zomaar blij van kan worden. Niet om het weten, wel om het mogen zien.

afbeeldingen:
1. Zal shoots a waterfowl (detail), circa 1570, Shiraz
2.Rudabeh lets down her hair to Zal, circa 1630, Esfahan

In de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek:
-Een karavaan uit Perzië : Klassieke Perzische poëzie, 2002
-Shahnameh : the Persian Book of Kings. A new Translation by Dick Davis, Penguin Classics,
2006. De vertaler presenteert een elegante versie van proza en poëzie in de meest complete Engelstalige versie die momenteel verkrijgbaar is. Aldus de tekst op de cover.
- Perzië: dertig eeuwen Kunst & Cultuur, 2007

* Dubbelverzen: eenvoudig gezegd: hetgeen we in het Westen een zin noemen wordt in de Perzische poëzie verdeeld over twee, soms drie regels. Het volgende voorbeeld komt uit de recente Engelstalige versie. Geen strijdtonelen, geen drakenkoningen en nog geen jachttaferelen. Wel bloemen!
There is a musician at the gate with a lute; he sings very sweetly: (p. 142/143)
"My country is Mazanderan - may she
Abide forever in prosperity;
Her gardens bloom with roses all year long,
Wild hyacinths, a myriad tulips throng
Her mountain slopes; her climate's sweet and clear,
Not hot, not cold, but springtime all the year;
Her perfumed air revives the soul - it seems
Rose water rushes in het mountain streams;
In every month wild tulips can be seen
Dotting the hillsides' and the meadows' green;
Her serving girls are lovely to behold,
And there's good hunting there, and wealth, and gold."

zaterdag 4 december 2010

Leestip: Het boek van de kinderen / A.S. Byatt


The Children’s Book of Het boek van de kinderen is geen kinderboek, integendeel! Het is een duizelingwekkend en meeslepend verhaal dat begint in het Victoriaanse Engeland en eindigt in de periode net na de Eerste Wereldoorlog. Een roman die de lezer meevoert van een betoverend landgoed in Kent naar de Wereldtentoonstelling in Parijs (1900) en naar de rauwe werkelijkheid van de loopgraven van de Somme. Een roman waarin geschiedenis, kunst en literatuur in de periode 1895 tot 1918 in Engeland veel aandacht krijgt evenals de geschiedenis van de jeugdliteratuur en dan met name de kracht van sprookjes. Van de veilige, ommuurde Engelse tuin naar de meedogenloze hardheid van het echte leven, en hoe twintig totaal verschillend mensen daarmee omgaan, daar gaat ‘Het boek van de kinderen’ over.

Citaat uit de cover-tekst: Het is begin 1895. De oudste zoon van de succesvolle kinderboekenschrijfster Olive Wellwood ontdekt in de kelder van een museum in Londen de weesjongen Philip. Zij besluit hem mee te nemen naar haar uitgestrekte landgoed in Kent. Voor Philip gaat er een nieuwe, haast magische wereld open wanneer hij de kinderen, familie en vrienden van Olive ontmoet. Maar elke familie heeft haar geheimen en de vrijzinnige sfeer en de feesten die de Wellwoods organiseren verbergen meer verraad en duisternis dan Philip ooit had kunnen vermoeden.
Deze roman (753 blz.) geeft een indrukwekkend tijdsbeeld; conservatieven en gevluchte Russische anarchisten ontmoeten elkaar, de sprookjeswereld contrasteert met de strijd voor vrouwenkiesrecht en sociale hervorming, een mysterieuze Duitse poppenspeler deelt het ‘podium’ met een pottenbakkersfamilie, het College-leven in Cambridge staat naast het museum-gebeuren in Londen .
Over de inhoud vertel ik niet verder, er zijn hier en daar en her en der recensies verschenen. Niet alleen de verhalen zijn fascinerend, de boekomslag heeft een zeldzame schoonheid. Deze omslag, met blauw, goud, varens en een sieraad van ontwerper René Lalique vertelt ook iets over de artistieke en intellectuele omgeving van de hoofdpersonen.
René Jules Lalique (1860-1945) was glaskunstenaar en edelsmid. Zijn werk wordt tot de jugendstil en art deco gerekend. Flora, fauna en de vrouwelijke vormen zijn de grote inspiratiebronnen van de jugendstil, deze stroming wordt in Frankrijk ook de ‘art nouveau’ genoemd. Lalique maakte sieraden die gebaseerd zijn op de vormen van pauwen, libellen en slangen. Materialen die hij gebruikte waren glas, email, leer, hoorn (materiaal) en schelpen. Hij gaf de voorkeur aan halfedelstenen boven edelstenen, hij koos stenen op kleur, glans en vorm, niet alleen op exclusiviteit.

In Het boek van de kinderen bezoekt Tom, zoon van de schrijfster Olive Wellwood, samen met familie en vrienden, in 1900 de Wereldtentoonstelling in Parijs. Hij schrijft hierover: Ik ben op de Eiffeltoren en in het Reuzenrad geweest en heb me in de nieuwe ondergrondse spoorlijn, de Metro, gewaagd, die ingangen heeft als de ingangen van sprookjesland. Alles wordt aangedreven door elektriciteit - alles snort en zoemt - en overal twinkelen en glinsteren wouden van lichtjes (p. 324). Hij maakt kennis met de roltrappen in Parijs, de eerste dieselmotor, het nagebouwde Chinese paviljoen, dynamo's, knoflook gecombineerd met kaas, schilderkunst van Klimt en anderen. In het Rodin-paviljoen ziet hij Rodin zelf uitleg geven aan een niet al te frisse Oscar Wilde. De Wereldtentoonstelling wordt uitgebreid bezocht en uitvoerig besproken, een handige zet van A.S. Byatt. (Ook Floortje Zwigtman 'gebruikte' deze tentoonstelling als decor in 'Spiegeljongen'). De aandacht van de kunstzinnige pottenbakker Philip gaat uit naar de keramiektentoonstelling, in het bijzonder naar de nieuwe toepassingen van metaalglazuren bij vazen. Darnaast aandacht voor de jugendstil en natuurlijk voor René Lalique.
Omdat ik de boekomslag zo prachtig vind citeer ik het moment dat Tom dit sieraad ziet (p. 325-326):
Iedereen kwam dus naar de stand van Lalique. Dat was weer zo’n fantasiewoonhuis, met geplooide vitrages. In een raam met een hoge boog schoten vleermuizen van glanzende witte moiré op en neer en er was een scherm, spookachtig, verfijnd, prachtig, gemaakt van vijf naakte bronzen vrouwen met enorme skeletachtige vleugels, als de bronzen aderen op mottenvleugels, die naast en onder hen hingen. Het opvallendste getoonde stuk was een groot sieraad in de vorm van turquoise vrouwenborsten die oprezen uit de bek van een heel lange libel met een smal toelopend gouden lijf waarin op regelmatige afstanden steeds kleinere, glimmende blauwe en groene stenen gezet waren met onderaan een scherp, piepklein verguld vorkje. Het hoofd van de vrouw was bekroond met een versiering die een helm of een gesplitste scarabee of de insectenogen van het van gedaante veranderende wezen voorstelde. Aan haar schouders hingen stijve, uitlopende mouwen die tegelijkertijd de realistische vleugels van de libel waren, gemaakt van het nieuwe doorschijnende email zonder ondergrond, dooraderd met goud en bezet met ronde stukjes turkoois en kristallen. Het beest had enorme drakenklauwen, die zich aan weerszijden van het vrouwenhoofd uitstrekten aan gouden, gespierde armen. Om dit exemplaar lagen kleinere sieraden in de vorm van insecten en bloemen.
De hoofdpersonen bestuderen, met vergrootglas, de materiaalkeuze, het doorschijnende email en de variatie aan gekleurde steentjes; van bloedrood tot toermalijn.
Wie van kunstgeschiedenis houdt zal zeker genieten van het uitstapje naar de Wereldtentoonstelling in Parijs. Het boek van de kinderen werd een groot succes in Groot-Brittannië en was een finalist voor de Man Booker Prize 2009. De auteur A.S. Byatt werd in 1999 verkozen tot Dame of The British Empire. In 2010 ontving zij The James Tait Black Memorial Prize voor The Children's book. Deze academische prijs is de oudste literaire prijs in Groot-Brittannië.
Het boek van de kinderen las ik begin 2010 en nu, in december, schrijf ik er pas over. Omdat ik de omslag tijdloos mooi blijf vinden... Het toeval wil dat ook een medewerkster van de literatuurafdeling, zeg maar The Dame of De Drvkkery in Middelburg, Het boek van de kinderen verkoos tot het mooiste boek van 2010.