woensdag 24 oktober 2012

Ons Leven Met Reve - Teigetje & Woelrat & Middelburg



Welke band hebben Teigetje en Woelrat met Zeeland of Middelburg? Deze vraag stelde ik mezelf op vrijdag 14 september 2012 naar aanleiding van het feit dat zij in Middelburg, in de raadzaal van ons oude stadhuis, te gast waren bij de presentatie van het eerste deel van de Geschiedenis van Zeeland. Daarna signeerden zij in boekhandel de Drvkkery het recent verschenen Ons Leven Met Reve (Uitgeverij Balans, 2012). Twee jaar eerder waren zij daar ook al te gast…
De ontmoeting met de innemende schrijvers Teigetje (Willem Bruno van Albada) en Woelrat (Hendrik Lambertus van Manen) was bijzonder. De foto op de cover van Ons Leven Met Reve vond ik intrigerend maar, besefte ik, het was voor mij  al heel wat jaren geleden dat ik De Avonden, De Taal der Liefde, Ik Had Hem Lief, De Stille Vriend en andere romans las en van een speciale relatie met Zeeland kon ik me niets herinneren, zelfs in de Geheime Dagboeken van Hans Warren kwam ik hem weinig tegen. Laat ik eerlijk zijn, een echte Reve-kenner ben ik niet. Met belangstelling en toenemende bewondering heb ik nu Ons Leven Met Reve, de uitgebreide memoires over de periode dat ze samenleefden met Gerard Kornelis van het Reve gelezen. In deze periode - van 1963 tot 1975- schreef Reve dankzij de jongens zijn beste werken, onder meer Nader tot U, De Taal der Liefde en veel van zijn brieven aan Simon Carmiggelt. Uitgever Johan Polak noemde hen ‘de twee engelbewaarders van het genie van Van het Reve’. ‘Dit waren de jaren dat Reve een spilfiguur werd in de cultuurrevolutie die in Nederland plaatsgreep. In zijn vrijmoedige uitingen was hij een voorbeeld voor velen', aldus Wilfred Takken in zijn recensie in de NRC (7-09-2012). 

Willem Bruno van Albada (Teigetje) en Gerard Reve woonden vanaf 1964 in het Friese plaatsje Greonterp, in 1969 kwam de toen 22-jarige student sociologie Henk van Manen (Woelrat) erbij, wat tot een veel besproken driemanschap leidde. Over de Friese periode is al eerder een bijzonder fotoboek verschenen: Huize Het Gras (Uitgeverij Balans, 2010). Evenals Teigetje blijkt Woelrat een fervent fotograaf, zij maken tussen 1963 en 1975 duizenden foto’s, van Gerard, van zijn omgeving, van zijn brieven en documenten. Een lachende Reve kom je echter zelden tegen en foto’s met een Zeeuwse connectie al helemaal niet. In Ons Leven Met Reve, een uniek document humain over de ontoereikendheid van de liefde, zijn nooit eerder gepubliceerde foto’s opgenomen, deze verdiepen het indringende beeld dat wordt opgeroepen van hun leven met Reve: de eindeloze verbouwingen, het liefdevolle tuinieren, de aaibare poezen, de gasten die werden ontvangen, de reizen naar Frankrijk.
De beelden zijn mooi, enkele foto’s van de ‘jonge jongens’ vind ik ontroerend: jeugdigheid teder in beeld gebracht. Ach, het zal mijn moederhart wel zijn… Daarachter ontdekt de lezer van deze memoires gaandeweg de soms hilarische en soms schrijnende werkelijkheid. Teigetje en Woelrat schrijven vooral over het huiselijk leven, hoe lastig, het was om met Reve samen te leven. Hij gedraagt zich autoritair, van zichzelf vindt hij dat hij helaas een tiranniek moederinstinct heeft. Hij is wel zorgzaam, maar leidt niet op tot onafhankelijkheid. Hij wil de enige kostwinnaar zijn, eist volstrekte onderdanigheid en weet alles beter. Drankzucht, depressies, hallucinaties, religieuze visioenen, angst- en woedeaanvallen, twijfel en wanhoop wisselen elkaar af, evenals de betere en mooiere periodes. In vele brieven aan de jongens, onder meer vanuit Frankrijk, beschrijft hij evenwel zijn grote liefde voor de twee. Fragmenten uit deze correspondentie zijn echter niet opgenomen omdat de auteursrechten vreemd genoeg in het bezit zijn van de ‘Nieuwe Vriend’ en erfgenaam Joop S., die tot op de dag van vandaag elke snipper papier van Gerard Reve ‘beschermt’.
Naast het gecompliceerde karakter van Gerard Reve vormde zijn verhuisdrift een bedreiging voor hun relatie: van Amsterdam via Greonterp naar Veenendaal en altijd plannen voor een leven op het Geheime Landgoed in Frankrijk. Wanneer Gerard in 1975 naar Weert vertrekt is de breuk een feit, de jongens weigeren mee te gaan. Ze gaan zelfstandig verder, starten een pottenbakkerij (De Eenhoorn) en openen een winkel waar o.a. aardewerk, kunstreproducties, posters, rijstpapieren lampen en breiwol verkocht worden. Er ontstaat volop ruimte voor hun eigen creatieve talenten. Ze kopen veel Tsjechische kralen in, van mooi hout en glas, om los te verkopen en om zelf sieraden te maken: halskettingen, broches, zelfs kralenranden voor lampenkapjes.
Wat opvalt is dat Teigetje en Woelrat, ondanks alles, met bijna onvoorwaardelijke liefde hun periode met Reve hebben beschreven. De toon is mild & sympathiek, geen wrok, geen poging tot afrekening en dit verdient groot respect. Het was wel pijnlijk dat ze niet werden uitgenodigd voor de uitvaartdienst van Gerard Reve in het Vlaamse Machelen-aan-de Leie in 2006.
Teigetje en Woelrat zijn na de breuk met Reve in 1972 samen verdergegaan, ze waren hiervoor al onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vanuit Frankrijk schreef Woelrat aan Teigetje: “Als ik terug ben, laat ik bij Geluk een gouden voetboei maken waarmee ik mijzelf aan jou vast maak”.  En: “Ik heb een aantal stenen op een rijtje gelegd, die bij elkaar het aantal nachten zijn, die ons van elkaar scheiden. Iedere ochtend neem ik er eentje weg”.
Modeontwerpers Teigetje en Woelrat zijn hun jaren met Reve blijven koesteren, zij gebruiken nog altijd de koosnamen die hij hen gaf, ook als merknaam voor hun kledinglijn.
Met mijn vraag welke band Teigetje en Woelrat met Zeeland of Middelburg hebben ben ik een klein stapje verder gekomen. Je zou sowieso kunnen zeggen dat ze de Zeeuwse inborst hebben: ze worstelen en komen glansrijk boven. Ook  worden er warme vriendschappen gekoesterd in Middelburg, ze hebben vrienden die de liefde voor literatuur, Friesland en de geschiedenis van Zeeland met elkaar delen. Het is grappig te weten dat de stad Middelburg op haar beurt met respect getuigt van haar verbondenheid met kunstenaars en ‘ruimdenkenden’. Of je nu in Friesland woont, in Frankrijk of in Zeeland, het is overal hetzelfde: als je geluk hebt en de taal van de liefde leert verstaan rijgen de dagen zich als kleurrijke kralen aaneen. Maar je moet in Middelburg soms wel even omhoog kijken om die blauwe lucht te kunnen zien.

Detail Kunstwerk 'Delights' van Thorsten Brinkmann, in het kader van de Kunstmanifestatie Façade,  Middelburg 2012



Middelburg, Regenboogvlag op de Lange Jan, Coming-out-dag, 11-09-2012
(Foto's Kunstwerk 'Delights' en Regenboogvlag op de Lange Jan uit eigen archief).

zondag 7 oktober 2012

Tentoonstelling in de Vleeshal: Architecture without building (Yona Friedman en Jean-Baptiste Decavèle)

Middelburg, De Vleeshal

Neem jouw ideeën, eigen (kunst)werk, foto’s of andere objecten mee naar de Vleeshal. Zo luidt de oproep van architect Yona Friedman aan de Middelburgers (inwoners, kunstenaars, ondernemers, studenten, kinderen en anderen). De oorspronkelijke functie van De Vleeshal komt volgens deze kunstenaars zo weer tot leven: een sociale ontmoetingsplaats waar ideeën ontstaan en gedeeld worden. Dit thema spreekt mij wel aan.
Speciaal voor De Vleeshal heeft Yona Friedman een ‘museum iconastase’ getekend. Jean-Baptiste Decavèle heeft deze tekening vertaald naar een driedimensionale module van 500 metalen ringen, een ruimtelijke structuur waarin kunstwerken gepresenteerd kunnen worden. Wat had ik dit graag opgebouwd zien worden, het is een staaltje creatief vakmanschap. Medewerkers van het Zeeuwse Las- en Constructiebedrijf  J. van Belzen en het team van de Vleeshal hebben een mooie ‘klus’ geklaard bij de realisatie van dit artistieke project. De 500 ringen zijn met ijzervlechtdraad en tape aan elkaar verbonden, de tijdelijkheid van de verbinding is daarmee een belangrijk gegeven. In dit ‘museum iconastase’ is een video geplaatst. We zien Yona Friedman die in zijn Parijse atelier zijn idee over het uit ringen opgebouwd ruimtelijk frame uitlegt.

Yona Friedman:  Architecture without building, 2012
 Een ‘museum iconastase’, wat wordt hiermee bedoeld? Het architectonische begrip iconostase refereert aan de wand van beelden die in een (byzantijnse) kerk de scheiding vormt tussen altaarruimte en het schip. Op deze wand zijn verschillende panelen met verscheidene iconen te vinden. Friedman nodigt nu de Middelburgers uit om hedendaagse iconen zoals ‘beelden’ of kunstwerken in zijn museum - de ruimtelijke structuur van 500 ringen – onder te brengen. Van elk  voorwerp wordt een foto gemaakt, deze foto’s worden wellicht basismateriaal voor een toekomstig film- of fotocollageproject van Jean-Baptiste Decavèle. Inwoners die iets komen brengen kunnen in een boek beschrijven wat ze inbrengen en waarom. Verrassend is dat tijdens de tentoonstelling (tot 16 december) ook Jean-Baptiste Decavèle voorwerpen, zoals kartonnen dozen, aan de structuur toevoegt, een kunstwerk zelf moet gaandeweg veranderen is hun overtuiging.
Met Yona Friedman (Boedapest, 1923) haalt de Stichting Beeldende Kunst Middelburg (SBKM) één van de belangrijkste denkers binnen de architectuurgeschiedenis van de twintigste en eenentwintigste eeuw naar Middelburg. Friedman schreef en illustreerde meer dan vijftig boeken over zijn onderzoek naar architectuur, ecologie en taal. In een tijd waarin kwesties op het gebied van stedelijkheid, mobiliteit, globalisering en migratie steeds belangrijker werden, bedacht hij visionaire concepten als ’mobiele architectuur’, de ‘ruimtelijke stad’ en ‘uitvoerbare Utopia’s’ die nog altijd actueel zijn. Het toeval wil dat momenteel bij de 13de Architectuurbiënnale in Venetië verwante thema's volop in de belangstelling staan; niet de architecten en stedenbouwkundigen maar vooral de gebruikers staan centraal. Friedman is een architect die van mening is dat architecten eigenlijk overbodig zijn. Men bouwt steden (iconen) voor de eeuwigheid, terwijl de werkelijkheid het bestaan van de eeuwigheid steeds tegenspreekt. Zijn concept over Mobiele architectuur gaat uit van constructies die het aardoppervlak op zo weinig mogelijk punten raken, constructies die kunnen worden ontmanteld en verplaatst en altijd aangepast kunnen worden aan de individuele gebruikers. Onderdelen van een huis als bouwpakket bij een bouwmarkt kopen zou ideaal zijn, de individuele gebruiker kan dan inpluggen in een frame. Zijn focus op tijdelijke huisvesting met een maximum aan flexibiliteit komt voort uit zijn compassie met dakloze vluchtelingen waarmee hij werd geconfronteerd in Europa, Israël en Afrika. Friedman’s ideeën beperken zich niet tot de architectuur. Zijn betrokkenheid is veel breder en behelst ook andere vakgebieden zoals sociologie, economie, wiskunde, informatie-technologie, urbanisme, beeldende kunst en film. Hij is daarbij altijd uitgegaan van principes die uiteindelijk leiden tot individuele vrijheid. Zijn opvattingen draagt hij voornamelijk uit d.m.v. manifesten, publicaties, colleges, tekeningen en maquettes..Er zijn slechts weinig ontwerpen van hem gerealiseerd. Sinds enkele jaren werkt Friedman samen met Jean-Baptiste Decavèle (Grenobele, 1961), met wie hij ideeën rondom architectuur, films, archieven, fotografie, voorstelling van ruimtes en landschappen uitwisselt..
De Vleeshal, de kleurrijke vensters
Naast de ingenieuze structuur van de 500 metalen ringen zien we in De Vleeshal dat de vensters zijn bedekt met Yona Friedman’s ‘glas-in-lood’, gemaakt van tussen plexiglas geklemde kleurige plastic tasjes. Ze laten het licht vrolijk gekleurd binnenvallen op de met elkaar verbonden stalen ringen.
Als bezoeker ervaar ik een nieuwe verbinding: het subliem gefilterde kleurrijke licht gaat prachtig samen met de koele en stoere metalen constructie die nagenoeg de gehele ruimte van De Vleeshal vult. Een bijzondere ervaring die fotografisch nauwelijks laat vastleggen.
Het uitgangspunt van Architecture without building is, volgens de tentoonstellingsbrochure, ‘te beginnen bij de inhoud’. Er is een behoefte om iets te laten zien, er is een ruimte, een architectuur voor nodig. Architecture without building wil dienend zijn voor iets anders zonder zich aan te passen aan De Vleeshal. Dienstbaar aan de Middelburgers. De tentoonstelling is tot 16 december te zien, op deze laatste dag zal zichtbaar zijn welke ideeën de inwoners hebben aangeleverd. Zelf wil ik, binnen de architectuur van dit blog, enkel beelden met mijn lezers delen. Beelden van hoe mooi het in de Vleeshal kan zijn.

De Vleeshal: kunsten & nissen

De Vleeshal, 2012


De Vleeshal, beelden

Detail venster Vleeshal, 2012
Detail venster De Vleeshal, 2012

zaterdag 29 september 2012

De Literatuurfabriek 2012-2013: een sfeer impressie


 

Met de eerste bijeenkomst van De Literatuurfabriek is, voor mij althans, het nieuwe literair seizoen in Middelburg begonnen. Vanaf september tot juni presenteren Frank van Doeselaar (docent Nederlands) en Lidewijde Paris (uitgeefster, literair journaliste, expert buitenlandse literatuur) een boeiend literatuurprogramma in de Drvkkery, veelal op de vrijdagmiddag van 15.30 tot 17.30. Alweer de zesde jaargang en met zo’n 40 deelnemers in no time volgeboekt. In het programma wordt aandacht besteed aan een scala aan onderwerpen, van poëzie tot Russische literatuur, van debutanten tot hypes en aanverwante uitgeverszaken, aan de steeds terugkerende vraag wat literatuur nou eigenlijk is, het verschil tussen literaire thrillers en de roman, publicaties in de luwte, in de marge, aan de zijlijn of in het middelpunt. Boekenweek, literaire prijzen, pareltjes en klassiekers. En er komt een wintergast, wie dat wordt is nog geheim… Eerdere gasten waren Thomas Rosenboom, Annejet van der Zijl en Adriaan van Dis. Deelnemers aan de Literatuurfabriek krijgen alvast twee te bespreken kerntitels mee, dit jaar zijn dat: Bittere bloemen van Jeroen Brouwers en De meester en Margaritavan Michail Boelgakov. We gaan natuurlijk ook Vijftig tinten grijs van E.L James bestuderen, we houden van kleurrijke discussies.
Literatuurfabriek, waarom deze naam? Allereerst een verwijzing naar de geschiedenis van het pand van boekhandel De Drvkkery, waar vroeger Uitgeverij den Boer gehuisvest was en tevens de Provinciale Zeeuwse Courant van de persen rolde. Productie en processen: ook lezen is een actief proces, hetzelfde geldt voor het schrijven. Wereldwijd wordt er op grote schaal literatuur 'geproduceerd' en wij, lezers, hebben het er maar druk mee om de literaire productie enigszins te volgen. De achtergrondinformatie en de tips van Frank en Lidewijde en de feedback van de deelnemers helpen uitstekend bij het maken van een keuze.
Dit jaar begon, als voorafje, met een uitnodiging voor de film Being Flynn, gebaseerd op het levensverhaal van Nick Flynn, dit in het kader van het programma Film en Literatuur van Film by the Sea. Het onderwerp boekverfilmingen komt elk jaar vele malen aan de orde met een brede waaier aan lees- en kijktips.
Het thema van de openingsbijeenkomst in de Drvkkery luidde: Van literatuur naar literair variété? Centraal stonden de romans Bonita Avenue van Peter Buwalda (weergaloos meeslepend, een droomdebuut volgens HP/De Tijd) en VSV van Leon de Winter (5 sterren notering volgens een recensent in de Volkskrant, het aanbevolen boek voor de zomervakantie!). De moeite waard? De meningen zijn verdeeld. De sfeer bij De Literatuurfabriek nodigt gelukkig al jaren uit tot onvervalste kritiek, zowel positief als negatief, maar dit terzijde. Leon de Winter voert in VSV het romanpersonage Theo van Gogh op, daar begint het al mee. Andere personages zijn bv. Job Cohen en Bram Moscovitch. Is dat wel chique? Wat zit daar achter? Hartje zomer ontmoette ik Leon de Winter op Schiphol, hij was daar zelfs ’s nachts aan het signeren. Zodra ik op de cover las dat Theo van Gogh figureerde in de roman VSV heb ik hem maar eerlijk gezegd dat ik deze Nederlandse ‘materie’  thuis wilde laten, mijn belangstelling ging op dat moment meer uit naar lectuur en literatuur over een zonnig Midden-Amerika. Later heb ik deze roman wel geleend en gelezen: literair vermaak, een opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden, snel gelezen, snel vergeten. De stijl is een beetje afgekeken van De ontdekking van de hemel. Niet meer dan een kwajongensboek? Een ongemakkelijk gevoel blijft hangen want de relatie Van Gogh - De Winter was bijzonder complex. Is de Winter niet zelf de kwade jongen?
Bonita Avenue van Peter Buwalda scoort beter in de groep, hoewel? Grote bewondering voor het vakmanschap maar sommige lezers geven aan dat er voor hen geen doorkomen aan was. Waarom dat zo is heeft, volgens de docenten, onder meer te maken met de gebruikte literaire technieken. Er is geen duidelijke hoofdstukindeling. Het verhaal wordt verteld vanuit drie perspectieven via drie personages (Sigerius, Aaron en Joni) maar qua taalgebruik lijken ze op elkaar omdat Buwalda  dezelfde sfeer aan metaforen gebruikt. In mijn vorig jaar gesigneerde exemplaar staat: Voor Anke! Hopelijk lees je het nog uit… Peter BuwaldaJawel, ik hoop het ook.
Elke bijeenkomst van de Literatuurfabriek eindigt met de bespreking van recent verschenen titels en andere leestips. Voor ieder wat wils. ‘Maar’, zegt één van de deelnemers, ‘ik leef maar één keer en eigenlijk  heb ik thuis nog twee meter boeken staan die ik voor ik ga hemelen eerst wil lezen…’
Een keuze uit de leestips: Alle titels van Leon de Winter, Anne Frank leeft en woont op zolder  (Shalom Auslander), Het onvermijdelijke toeval (Martin Mosebach), Aarde (David Vann), In tijden van afnemend licht (Eugen Ruge).
Zelf wil ik daar de verhalenbundels van Sanneke van Hassel aan toevoegen. Haar lezing in de Zeeuwse Bibliotheek (11 september) was boeiend, haar verhalenbundels IJsregen (2005), Witte Veder (2007), Ezels (2011) en haar roman Nest (2010) zijn bijzonder lezenswaardig. Liefhebbers van het rijk en eigenzinnig genre van het korte verhaal zullen genieten van het recent verschenen Naar de stad. Samen met Annelies Verbeke stelde zij deze dikke bundel (479 p.) samen. Een internationaal gezelschap van 39 auteurs, van Tobias Wolff tot Haruki Murakami, leverde een bijdrage.
Volgens uitgeverij De Geus zijn het natuurlijk de mooiste korte stadsverhalen van de twintigste eeuw. Sanneke van Hassel vertelde in Middelburg dat het nog niet meeviel om de verhalen te selecteren, zo ruim was het aanbod. Gelukkig had uitgeverij De Geus hier begrip voor, vandaar deze prachtige bundel.
Kiezen kan wel eens lastig zijn, wat te lezen, er verschijnt zoveel… Wordt het de verhalenbundel Zondig in Zeeland met 26 prikkelende verhalen of Ons leven met Reve van Teigetje & Woelrat? Tijdens de volgende bijeenkomst van De Literatuurfabriek staat Simon Vestdijk en zijn oeuvre in het middelpunt van de belangstelling. ‘De man die sneller schrijft dan God kan lezen’, zo typeerde Adriaan Roland Horst hem. Allerlei romans komen dan ter sprake, maar de nadruk ligt op Ivoren wachters, De koperen tuin en met name de Anton Wachterroman Terug tot Ina Damman.
Als er tijd voor is… Zelf keer ik terug naar de halve meter voorraad in mijn boekenkast. Met plaid en warme Noorse sokken nestel ik mij op de bank en lees eindelijk Baltische Zielen van Jan Brokken. Een portret van 27 markante mannen en vrouwen uit de geschiedenis van Estland, Letland en Litouwen. Indrukwekkende levensgeschiedenissen. Wat een meesterwerk! Een luistertip hierbij: Serenity: the beauty of Arvo Pärt. Verder lees ik tussendoor allerlei verhalen van Jelle Brandt Corstius die binnenkort te gast zal zijn in de Zeeuwse Bibliotheek. Verhalen over Rusland en Moskou, over de kleine landjes in de Kaukasus en andere verre oorden. Hij zal ongetwijfeld zijn recente Universele Reisgids voor Moeilijke Landen onder de aandacht brengen. Zo kunnen wij mooi meeliften, eigenlijk is elk boek een reis apart. Laat de winter maar komen.

 

vrijdag 6 juli 2012

Argentijnse Avonden - Van de Zwart Janstraat naar de pampa / Carolijn Visser


 

Carolijn Visser presenteerde haar nieuwe boek Argentijnse Avonden op 7 juni in boekhandel De Drvkkery in Middelburg. Zij werd geïnterviewd door PZC-journalist Jan van Damme. ‘Wat een fantastische plek, deze boekhandel, wat een zegen dat wij deze plek in Middelburg hebben’, aldus de ‘welkom thuis’ woorden van Jan voor de schrijfster die in Middelburg opgroeide.
Argentijnse Avonden is een familiekroniek die een groot deel van de 20ste eeuw omvat, de periode van 1937 tot 2006. Het is geen reisverhaal zoals we eerder van Carolijn Visser gewend waren. Ze verrast de lezer nu met literaire non-fictie: volgens haar een soort roman, met vaart geschreven, met hoogtepunten en dieptepunten waarin alles is samengebald. Een roman die gebaseerd is op feiten. Zo meeslepend, zo veel omvattend, fascinerend, triest, troostrijk en hoopgevend tegelijk. De soms laconieke schrijfstijl van Carolijn draagt bij aan een prettige leeservaring. Een samenvatting geven is niet eenvoudig , ik citeer vrij de tekst op het boekomslag:
De Hollandse consul Ida van Mastrigt bereidt zich in 2006 voor op het bezoek van koningin Beatrix, kroonprins Willem-Alexander en Máxima aan de Hollandse kolonie van Tres Arroyos, vijfhonderd kilometer ten zuiden van Buenos Aires. Zesenvijftig jaar geleden, als meisje van tien, belandde Ida hier met haar zusje Miep. Het ontbrak vader Rinus echter aan tijd om voor zijn dochters te zorgen, ze werden liefdevol opgevangen door christelijke nazaten van Hollandse en Friese landverhuizers. Ida trouwt met één van hen en wordt boerin. Vanaf haar 38ste vervult zij de functie van honorair consul.
Hieraan vooraf gaat een wonderlijk avontuur van haar vader. In het jaar 1937 besloot Rinus van Mastrigt naar Nederlands-Indië te fietsen om daar werk te zoeken. Hij trouwde in Batavia, en kort daarna werd Ida geboren. De oorlog sloeg het gezin uiteen. Na de jappenkampen zocht Rinus zijn geluk in booming Argentinië en liet zijn dochters nakomen.
Argentijnse Avonden is het verhaal van een vader en zijn twee dochters, emigranten in Argentinië, en hun gespannen verhouding - het verhaal van een gezin op drift, maar ook een ode aan generaties Nederlanders die een nieuw bestaan opbouwden in een onbekend land.
Naar aanleiding van de vraag naar het ontstaan van deze roman vertelde Carolijn in Middelburg over haar bezoek aan Argentinië in 2005 waar ze de Nederlandse gemeenschap in Tres Arroyos, een stoffig slaperig stadje op de pampa, bezocht. Hier ontmoette zij de honorair consul Ida van Mastrigt, het consulaat was eenvoudig een kantoortje aan huis. Altijd op zoek naar materiaal raakte Carolijn gefascineerd door de verhalen over de geschiedenis van het dorp, de familieverhalen van de immigranten. Ida van Mastrigt kreeg begrip voor haar zoektocht en overhandigde haar een grote tas vol brieven, schriften, notities, foto’s en paperassen van haar vader die vijf jaar eerder was overleden. Alsof ze al jaren had gewacht op iemand die er belangstelling voor had. Bij het lezen van de eerste brief, 's avonds in haar hotelkamer, wist Carolijn al dat dit haar 21ste boek zou worden. De roman is op de inhoud van deze tas gebaseerd alsmede op een koffer vol brieven die later in een fabriek van Ida’s vader gevonden is. De brieven bevatten veel details, ze brengen je dicht bij de gedachten en geschiedenis van de hoofdpersonen, bij de problemen waar ze tegenaan liepen. De familie van Mastrigt correspondeerde veelvuldig, elk snippertje papier werd ook nog eens bewaard, aldus Carolijn Visser.
In het eerste deel van de roman worden de wonderlijke avonturen van Rinus van Mastrigt beschreven. Hij is de zoon van een Rotterdamse kruidenier, leerde op de lts voor timmerman en volgde in de avonduren mts bouwkunde. Vanwege de crisistijd ziet hij geen toekomst in Nederland. Hij besluit om werk in de bouw te gaan zoeken in Nederlands-Indië. Omdat hij geen geld heeft om de boottocht te betalen (derdeklas naar Batavia kost ruim vijfhonderd gulden) besluit hij de reis op zijn oude stadsfiets te maken. Hij bindt zijn koffer achterop de bagagedrager en vertrekt in november, net voor in Europa de winter invalt. Alleen al dit gegeven zegt iets over zijn onwrikbare wil om ergens ‘voor te gaan’. Werken wil hij en werk vinden zal hij. Tot zijn zesentachtigste zal hij uiteindelijk blijven werken wanneer hij in Argentinië nog eigenhandig het dak van zijn fabriek repareert. Bij zijn vertrek uit Rotterdam neemt hij afscheid van zijn vriendin Ida, bij haar thuis eet hij nog vijftien boterhammen met beleg en drinkt hij twee glazen melk…
Tijdens zijn wonderbaarlijke reis post Rinus vanaf het begin uitvoerige brieven of haastig gekrabbelde verslagjes. ‘Houd allen moed. Het gaat me goed. Vandaag tot Keulen’. Die middag inspecteerde een Nederlandse douanier zijn fietslood – het bewijs dat de verplichte fietsbelasting was betaald, lezen we vervolgens. Na bizarre avonturen in Europa en Azië arriveert hij in Singapore waar hij door een levensgevaarlijke trombose in zijn bovenbeen in het ziekenhuis belandt. Ida, 23 jaar jong, nog nooit buiten Nederland geweest, wordt dringend gevraagd over te komen, ’Je kunt Rinus daar niet alleen laten sterven’. Ze zal een maand onderweg zijn, ze moet wel, zonder geld voor een eventuele terugreis en geen idee wat haar te wachten staat. Het loopt goed af, Rinus geneest. In Batavia gaat hij bouwprojecten begeleiden. In 1938 treden ze in het huwelijk, kort daarna wordt dochter Ida geboren, vervolgens Miep. De oorlog betekent het einde van hun gezinsleven. Het verblijf in de jappenkampen zal de toch al opvliegende Rinus voor zijn verdere leven tekenen. Wanneer hij na de oorlog op zoek gaat naar Ida vindt hij haar in een kamp waar ze als verpleegster werkt voor het Rode Kruis. Maar hij treft haar aan in een veldbed, in gezelschap van een Amerikaanse militair. Na de onmiddellijke scheiding 'neemt' hij de voogdij over de meisjes en stuurt hij Ida en Miep naar zijn ouders in Rotterdam. Hij volgt later maar kan in Nederland niet aarden. Rinus raakt geboeid door een artikel waarin het vijfjarenplan van de Argentijnse president Perón uiteen gezet wordt. Dit belooft volop werk voor bouwkundigen. Daar wilde Rinus heen! ‘Het moet een best land zijn,’ reageerde vriend Kees vanuit Borneo op het plan. ‘Alles vrij van de bon en je kan er zoveel cornedbeef eten als je wilt… Het wemelt er alleen van de moffen en de fascisten, maar daar kun je wel wat tegen innemen’.
Cor, de jongste broer van Rinus, (tot op de dag van vandaag nog steeds winkelier in de Zwart Janstraat) begreep dat Rinus niet in Nederland kon blijven. Hij zou later over dit vertrek en over de fietstocht naar Indië zeggen: ‘Rinus was een genie. Dat was eigenlijk het probleem. Hij kon alles, maar hier kon hij zijn ei niet kwijt. Nederland was gewoon te klein voor hem’.
In Argentinië vindt de buitengewoon technische Rinus werk in de betonbouw. Talent voor het vaderschap heeft hij absoluut niet: de relatie met zijn dochters is altijd gespannen en grenst zelfs aan mishandeling. De mooiste tijd beleven de meisjes in Tres Arroyos waar ze in het internaat van de Hollandse school mogen verblijven. Vooral meester Cees Slebos bracht rust in hun leven, ‘Voor ouders en leerlingen was het van begin af aan of meester Slebos een warme gloed verspreidde. Leren werd iets heerlijks. Moeilijke sommen bleken ineens oplosbaar… Alle kinderen hingen aan zijn lippen! En zingen dat hij kon. Eerst in het Nederlands, algauw ook in het Spaans’.  Slebos was als een vader voor de meisjes. Verder vonden ze ‘troost’ in de kracht van de gemeenschap, de hartelijke gezinnen en een kalender aan vaste gebeurtenissen en feesten.
In dit tweede deel van de roman komt de Argentijnse periode uitvoerig aan bod. Parallel aan de politieke verwikkelingen in dit land wordt het turbulente leven van Ida, Miep en Rinus beschreven. Ida trouwt, wordt boerin, brengt vier kinderen groot, wordt verlaten door haar man en vindt een nieuwe levenspartner. Het thema trouw en ontrouw is op allerlei niveaus verweven in de gecompliceerde familierelaties. De vrouw van Rinus verspeelde haar rechten al als moeder omdat haar reputatie aan scherven lag. Pas aan het eind van de roman komen Ida en Miep, en dus ook de lezer, iets meer over haar en over hun halfzusje Len te weten.
Carolijn Visser vertelde in Middelburg hoe bijzonder het was dat Ida van Mastrigt zeer recent aanwezig kon zijn bij de officiële boekpresentatie in Amsterdam. (Op de site van uitgeverij Augustus kunt u hier meer informatie over vinden). Volgens mij kan de roman gezien worden als een ontroerende ode aan een veerkrachtige vrouw: het is onvoorstelbaar wat Ida heeft meegemaakt. Maar ook de onmacht van andere vrouwen dwingt respect af en wordt integer beschreven.
Veel Nederlanders vertrokken naar Argentinië. Vanuit Argentinië is een omgekeerde emigratiestroom op gang gekomen. In Aalten is een Argentijns-Nederlandse gemeenschap ontstaan waar bij de Argentijnse barbecues verhalen verteld worden voor wellicht nieuwe familiekronieken. Velen beschikken over een dubbele nationaliteit en over twee paspoorten. ’Niks mis mee’, besluit Carolijn Visser de avond in Middelburg. ‘Je kunt beter twee vaderlanden hebben dan slechts één. Het is een rijkdom om twee plaatsen te hebben waar je van houdt’. Op de vraag van Jan van Damme waar Carolijn Visser oud zou willen worden, Estland, Amsterdam of Middelburg, bleef zij het antwoord schuldig. Maar, zei ze, wanneer ze nu in Middelburg arriveert en over de Stationsbrug de stad inloopt valt het haar op dat de fietsenwinkel van Piet Voskamp, die voorheen aan de Breeweg was gevestigd, nu direct aan de Blauwedijk de aandacht trekt.
Mijn slotopmerking is: het is een rijkdom om te kunnen reizen, het land van bestemming is niet het belangrijkste. Wèl het weten dat  je in Middelburg, om te beginnen, altijd een spiksplinternieuwe of tweedehands stadsfiets kunt kopen! Buen viaje. Goede reis!

Carolijn Visser op de pampa, foto boekomslag